Theologische toelichting

Wim Barnard (Zeist) heeft de afgelopen decennia voor Bonnefooi (eerst het Westhillblad) de theologische toelichtingen gemaakt voor iedere zondag, die uitgangspunt waren bij het maken van het materiaal: verhalen, bijbelse navertelling, werkvormen, gebeden en liederen voor de kinderdienst. Met ingang van zomer 2007 is dat overgenomen door drs. Anna Zegwaard (Apeldoorn) en dr. Evert van Leersum (Barneveld), die de lijn van de toelichtingen doorzetten, maar daar wel hun eigen exegese- en taalkleur aan meegeven. Beiden, als ook de redactie van Bonnefooi, zouden het op prijs stellen als wij van de gebruikers een reactie zouden krijgen op de ervaring met deze nieuwe toelichtingen. U kunt deze zenden aan info@kinderdienst.nl.

 

Oecumenisch leesrooster

 

Uit de bijbel

 Zondag 1 april 2018
Genesis 2,4b-25 Alternatief
Johannes 20, 1-18
RK: Handelingen 10, 34a. 37 – 43 en Johannes 20, 1 -9
In deze periode van Pasen naar Pinksteren lezen we de eerste verhalen uit Genesis. Oerverhalen. Niet omdat die verhalen persé oeroud zijn, maar omdat ze gaan over de oer-vragen van de mensheid: Hoe is de aarde en de mens geschapen? Waar komt het kwaad vandaan? Hoe gaan we om met verschillen? Waarom spreken we verschillende talen? enzovoorts. Genesis geeft een heel eigen antwoord op deze verschillende vragen. Het is goed om dat ook te beseffen en zeker in de gesprekken met de kinderen je niet te verliezen in de feitelijkheden of het ontbreken van informatie, zoals: hoe vond Kaïn dan een vrouw om mee te trouwen? Het zijn vragen die kinderen juist wel hebben bij deze verhalen. Omdat de verhalen van deze periode in bijna alle kinderbijbels staan, volgt op deze pagina geen beschrijving van deze verhalen, maar vooral een theologische duiding gericht op het moment van het jaar (periode Pasen-Pinksteren) en op de onderliggende thema’s in deze geschiedenissen. De parallel is op Pasen mooi getrokken met onderander Johannes 20: God begint iets nieuws/opnieuw. Met Pasen wordt Jezus door God opgewekt als het begin van een nieuwe schepping. Een nieuwe schepping waarin de dood en de duisternis niet meer het laatste woord hebben. God roept de eerste mens uit het stof van de aarde wakker en blaast hem de levensadem in: Adam, genomen uit de aardbodem, de mens is een aardmannetje. Geen hemelbestormer, maar gebouwd uit en voor de aarde. Zoals God in Genesis 1 alles in de schepping een eigen plaats toekent, zo krijgt de mens in Genesis 2 ook een eigen plaats toebedeeld. Zoals God met Adam en Eva door de paradijselijke tuin wandelde en in gesprek ging, zo gaat Maria met Jezus op deze vroege ochtend in gesprek. En vooral: ze wordt gezien in haar verdriet en haar eenzaamheid en bij haar naam genoemd. God ziet ook de eenzaamheid van de mens in het paradijs en bouwt uit eigen lijf en leden Eva, een hulp en tegenover, een ‘counter-part’. Gebouwd uit het midden van de man, op gelijke voet mogen zij elkaar ter zijde staan. God heft de eenzaamheid en de broosheid van de mens op door een andere mens te geven.

 

Zondag 8 april 2018
Alternatief Genesis 3,1-14
Johannes 20, (19) 24-31
RK: Handelingen 4, 32-35 en Johannes 20, 19-31
Zo mooi als het begon met de schepping en met Pasen, zo rauw is de werkelijkheid daarna. De mens die zichzelf terugvindt in de ander. Jezus die als eersteling van een nieuwe schepping de macht van de dood teniet doet. Op de achtste dag van Pasen zijn we met het lezen van Genesis 3, is mooi, maar niet de praktijk. We gaan terug naar af. Beloken Pasen wordt deze zondag ook wel genoemd. Hij verwijst naar het vroegere katholieke Paasoctaaf (acht dagen lang wordt elke dag gevierd als een hoogtijdag met veel gloria’s). Na acht dagen gaan de luiken van dit octaaf dicht. Beloken betekent ontluiken, dus afsluiten. Je zou dus kunnen zeggen dat met beloken Pasen de vreugde van Pasen wordt afgesloten. De kerk gaat over tot de orde van de dag. En dat is ook het gevoel dat je op deze zondag met Genesis 3 bekruipt. Terug bij af. De paastuin bloeide mooi, de schepping was tof, goed. De realiteit van ons leven is meer als Genesis 3. Mensen maken fouten. Ze maken elkaar verwijten. Ze laten zich leiden door boze tongen. Man en vrouw trekken niet als gelijkwaardige partners op. Hebzucht, gelijk aan God willen zijn, alles mogen wat beschikbaar is, aan deze verlangens appelleert de slang als hij de vrouw toespreekt. En zij trapt er in. De slang presenteert de grenzen die God in Genesis 1 en 2 als grenzen heeft aangebracht om scheiding te maken tussen hemel en aarde als de onderdrukking van de mens. Je mag zeker niets van die God. ‘Klopt het dat jullie van geen enkele boom mogen eten?’ (vers 1) vraagt hij. Zo moet Eva van meet af aan God gaan verdedigen. En als ze het woord sterven heeft laten vallen, dan ziet de slang zijn kans schoon: ‘natuurlijk zullen jullie niet sterven. God heeft dat alleen maar gezegd om jullie eronder te houden en zo zelf alleen God te kunnen blijven.’ (vers 4) Hoe ontdek je wat goed en kwaad is, als er geen regels zijn, die we met elkaar afspreken? Als het ook goed is, als je door een rood stoplicht rijdt, evenals door groen, dan werkt het stoplicht niet. Zonder goede afspraken doet iedereen alleen maar wat hij of zij belangrijk vindt. Regels zorgen ook voor een goede afbakening van de ruimte van jezelf en de ruimte voor de ander. Die ruimte wordt hier door de slang opgeheven als het gaat om de relatie tussen schepper en schepsel. De slang presenteert hier ware vrijheid door ook die ene regel die Adam en Eva hebben om zich aan te houden teniet te doen. Maar een ruimte zonder grenzen, is geen ruimte meer, maar open vlakte. Juist opvoeder(s) worden bij het grootbrengen van kinderen bepaald bij het belang van het stellen van grenzen, zodat ze stapsgewijs de ruimte leren verkennen en van die ruimte uitbreiden door nieuwere regels toe te passen. De boom van kennis van goed en kwaad staat misschien nog wel het meest voor het vertrouwen in degene die de afspraak heeft gemaakt. Niet eten betekent daarmee respecteren dat de grenzen die God gesteld heeft goed zijn voor de mens. Met het eten van de vrucht zet de mens de relatie met God onder spanning. Als je als ouder je kind afspraken of regels leert, waaraan ze zich vervolgens helemaal niet houden, doet dat ook iets met de relatie waarin ouder en kind staan. Door dit oerverhaal kon het volk begrijpen hoe het kwam dat de mens steeds geneigd is om zich te laten verleiden door een ander schepsel (nu de slang) om tegen regels in te gaan. En dat terwijl het volk Israël ook leert, dat ze zich niet op die verleiding kan beroepen, maar eigen omgang en verantwoordelijkheid tot die afspraken heeft. Immers, deze afspraken zijn als een verbond tussen God en mens, zoals later de Wet ook zal gaan functioneren, de tien geboden. En zo ervaart het volk ook, de straf is niet dat God hen doodt, maar dat ze in een wereld zonder grenzen ten dode zijn opgeschreven.

 

Zondag 15 april 2018
Alternatief Genesis 4, 1-16
Johannes 21, 15-24
RK: Handelingen 3, 13-15. 17-19 en Lucas 24, 35-48
De geschiedenis van Kaïn (schepsel) en Abel (adem, lucht) stipt een aantal heel grote menselijke thema’s aan. Zo gaat het verhaal over zaken als afgunst en jaloezie, over de omgang met je naaste en met verschillen. Het conflict begint met de waardering van wat er gebeurt bij het offer dat de twee voor God brengen. Het werkwoord dat hier gebruikt wordt, is zien. God moeten we nu niet direct alziend en alwetend inkleuren. Het staat beschreven als: ‘God zag het offer van Abel (wel) en God zag het offer van Kaïn niet.’ Alsof God maar twee paar ogen heeft en niet tegelijk naar beide kanten kan kijken. En dus kiest God hier voor de zwakkere Abel. Steeds kiest God voor de partij die zijn steun het hardst kan gebruiken. Ook hier. Dus komt Kaïn automatisch op het tweede plan. De twee broers zijn wel gelijkwaardig, maar niet aan elkaar gelijk. De mens zal moeten leren omgaan met zijn verschillen, ieder mens is uniek geschapen. Maar tegelijk daarmee uitgedaagd in de erkenning voor de diversiteit van de mensen. En dat dit niet eenvoudig is, en zomaar door allerlei emoties onder spanning kan worden gezet, maakt deze geschiedenis wel duidelijk.Kaïn kan er niet mee omgaan, dat Abel deze goddelijke aandacht wel krijgt en in zijn ogen ook nog eens weinig verdient. Althans, Kaïn verdient meer aandacht dan Abel, in plaats van andersom. Kaïn heeft immers met zijn eigen handen het offer gebracht, Abel hoeft enkel de kudde te hoeden en mooi offerdier te kiezen. Evenals in Genesis 3 krijgen we zowel het verkeerde gedrag als de straf die daarop volgt gepresenteerd. De Eeuwige waarschuwt Kaïn daar zelfs nog voor. Hij ziet de donkere blik van Kaïn. En plaatst daarom de oorzaak van de afgunst ook buiten hemzelf. Als jij goed gehandeld hebt, Kaïn, dan maakt het toch niet uit hoe de ander erop gereageerd heeft. Jouw offer is toch goed in zichzelf? Maar de afgunst (één van de Katholieke hoofdzonden) leidt bij Kaïn tot moorddadige gedachten en hij ruimt Abel uit de weg. In de ruime epiloog van dit verhaal brengt de Eeuwige bij Kaïn in herinnering dat hij een broeder is van de ander. God roept Kaïn ter ver-antwoord-ing door hem naar Abel te vragen. Moet ik op hem letten dan, die herder? Dat kan hij toch als hoeder prima zelf? Naast de afgunst is er daar ook de ik-gerichtheid van Kaïn. Die straf krijgt hij ook. Hij zal dolend over de aarde gaan, nergens thuis, een eenzaam bestaan. De aard van Kaïn blijkt niet gemaakt om te kunnen leven met verschillen, blijkt niet te kunnen samenleven met de ander, die ook zijn broeder is. Kaïn is vergeten waarom Eva aan Adam geschonken werd: als een hulp en een tegenover zijn de mensen aan elkaar gegeven.

 

Zondag 22 april 2018
Alternatief Genesis 6, 1-4
Johannes 10, 11-16
RK: Handelingen 4, 8-12 en Johannes 10, 11-18
Voor wie de geschiedenis van de voorbije zondagen gelezen heeft, is het duidelijk geworden: je hebt God en er zijn mensen. Je hebt de hemel en de aarde. De mens richt zich tot God als zijn schepper. God zoekt de mens op, zoals in de tuin van Eden, om in contact te blijven, soms om diezelfde mens ter ver-antwoord-ing te roepen door hem te vragen naar zijn handelen. Tot zover was het allemaal wel te begrijpen, maar het verhaal van deze zondag hoort misschien wel tot de meest raadselachtige van onze bijbel. Hemelse wezens dalen af naar de aarde en verwekken bij de dochters van de mensen kinderen. Een verhaal dat je toch nog het meest met de Griekse of de Oosterse mythologie associeert. En zo kun je het verhaal ook het beste plaatsen, maar meteen met een kritische spits naar al die omringende volken met deze verhalen. Het volk Israël is in ballingschap bij zichzelf nagegaan waar het vandaan gekomen is. Waar komt het kwaad dat hun overkomen is (slavernij Egypte, wegvoeren in ballingschap) vandaan? De voorgaande hoofdstukken geeft daarop al antwoorden. De mensheid heeft gaandeweg haar menselijke maat verloren. Ze wilde worden als God zelf. Zij kon zich niet verzoenen met de verhoudingen zoals die in de schepping waren vastgelegd. De mens is mens, God is God. Wie zijn nu die godenzonen, waarover gesproken wordt? Dat is niet eenduidig te zeggen, omdat de meeste theologen daarover van standpunt verschillen, juist omdat het zo buiten het verstaanskader van de bijbel valt. In de bijbel worden meerdere mensen aangeduid met zoon/ zonen van God. Vaak betekent dit dan ‘behorend tot’. Zoon van god kan duiden op wezens uit de omgeving van God. Dat zulke godenzonen afdaalden past bij de verhalen uit de omringende culturen. De goddelijke en menselijke wereld raken hier verstrengeld. Dat zorgt voor dochters met goddelijke (ster)allures en voor ‘mannen van naam’, zonder dat hun namen hier klinken. In dit verhaal vervagen die verhoudingen en dat leidt tot chaos en gedrochten. In de uitleg van het verhaal draait het niet om de zaken die we maar moeilijk in de bijbel kunnen plaatsen (godenzonen, reuzen), maar om de impliciete kritiek die hierop gegeven wordt (overspoeld raken van de aarde, toegeven aan lusten en vervaging van de begrippen God en mens). De verduurzaming van de menselijke relaties is verdwenen. Mensen huwen elkaar niet vanwege kameraadschap, maar vanwege de eigen begeerte. Zo verdwijnt de basis van het mens-zijn, namelijk de aarde te onderhouden en iets voor de ander te betekenen. Leven zonder grenzen is uiteindelijk onhoudbaar.

 

Zondag 29 april 2018
Alternatief Genesis 6, 5-22
Johannes 15, 1-8
RK: Handelingen 9, 16-31 en Johannes 15, 1-8

De verhoudingen tussen God en mens, hemel en aarde zijn inmiddels zo verziekt, dat zelfs God hier uit zijn rol valt. De aanleiding van die grote vloed is dan ook, dat God terug bij af is. Het is wederom chaos. Als de mens niet God kan worden (Genesis 3), dan kan ze er wellicht nog wel mee trouwen. Met als gevolg weg reuzen en gedrochten (vers 1-4). Ineens volgt een zeer menselijke reactie op de reuzen van het vorige gedeelte (vers 1-4) gebaseerd op spijt en pijn in het hart bij God (vers 6). Deze tekst is dan ook het gedeelte dat menig kinderbijbel overslaat. Het waarom van de ark van Noach. Terwijl in veel kinderbijbels wel verteld wordt hoe de buren van Noach op zijn bootbouwacties reageren. Daar lezen we in deze tekst niets over terug. Het is een plan tussen God en Noach. God ziet de chaos die de mensen ervan maken aan, en besluit het daarbij niet te laten zitten. Alleen Noach (zijn naam is afgeleid van een woord dat ook spijt of troost kan betekenen) mag op de aarde blijven. De aarde is bedorven (vers 12) en moet gereinigd worden. En zo begint de geschiedenis van de ark. De ark wat zoiets betekent als kist, zal een drijvende doodskist [zal het] worden. Een kist die op het doodswater al het leven erin zal sparen, zoals later het mandje (hetzelfde woord!) Mozes van de dood zal redden. En zo begint God opnieuw te scheppen, door eerst de grens, het gewelf tussen hemel en aarde, weg te nemen (Genesis 1,6) zodat al het hemelwater de aardbodem weer zal bedekken. Maar het beste van de schepping, dat wordt veilig bewaard in de ark. Noach - rechtschapen als hij is - hij neemt zijn positie als schepsel wel serieus en is dus een goede basis voor God om straks de schoongewassen aarde opnieuw mee te beginnen.

 

Zondag 6 mei 2018
Alternatief Genesis 8, 1-14
Johannes 15, 9-17
RK: Handelingen 10, 25,26,34,35, 44-48 en Johannes 15, 9-17
Daar zaten ze dan: hoog (op het water) en droog: Noach met zijn gezin en zijn dierenkoppels. 150 dagen lang was de gehele aarde bedekt met water. En dan begint het eerste vers van onze tekst ook nog eens heel spannend: ‘Toen dacht God weer aan Noach’. God zou Noach toch niet zomaar vergeten? Nee, het is zoals al eerder in Genesis. Toen dacht God weer aan de mens. God roept de schepping van het mens-zijn weer in herinnering, een waagstuk. God zal ook deze dierbare mensen weer aan het aardland moeten vertrouwen. Schoongewassen land, een schone lei, een nieuwe start. Ruimte om helemaal opnieuw te beginnen. Maar ook voor God betekent dit het loslaten van deze mensen en dieren, zou het nu wel goed verlopen? God kan ze toch moeilijk in deze kist laten dobberen, dan zijn het geen mensen, dan is het geen schepping. En dus zweeft de Geest van God opnieuw over de wateren, maar nu om het water weg te blazen. Alsof er een badkuipstop onder de aarde zit, zo loopt het water weer weg en loopt de ark vast op een bergketen. Maar ja, opnieuw moet de mens de aarde gaan bewerken. Dus stuurt Noach eerst een raaf op pad. Een dolende en jagende vogel, maar deze vogel vindt niets. Het land is leeg. Dan weer een scheppingsweek later de duif. De duif nestelt zich het liefst in de nabijheid van mensen en leven, dus ook hij komt terug. Pas in de derde scheppingsweek vindt de duif een takje van een olijfboom. Er bloeit weer een nieuwe tuin op. Noach en de zijnen kunnen de aarde opnieuw gaan bewerken. Schoon gewassen land. Opgedroogd en wel, een lonkend nieuw begin.

 

Zondag 13 mei 2018
Genesis 9, 8-17
Johannes 17, 14 -26
RK: Handelingen 1, 15 – 17.20a.20c – 26 en Johannes 17, 11b – 19
Als mensen een huis kopen, tekenen ze een contract. Als je boodschappen doet, ontvang je een bon als bewijs van de spullen die je gekocht hebt. Als je wilt aantonen dat je lid bent van een fitnessclub, dan toon je een pasje. Op veel momenten laten we zien door een stuk papier of een pasje dat we een afspraak met elkaar hebben gemaakt. De bank dat ze de lening voor het huis zullen verstrekken, de winkel dat ze voor jouw geld de gekochte boodschappen geven en de sportschool dat je tegen betaling gebruik mag maken van hun apparaten. Het zijn allemaal relaties die we, soms met het gebruik van geld, met elkaar aangaan. We hebben afspraken gemaakt, contracten gesloten. Maar hoe maak je nu afspraken tussen mensen onderling zichtbaar? Hoe sluit je nu een contract tussen vriendinnen of met je ouders? Hoe kun je nu laten zien dat er sprake is van liefde? Een vorm waardoor je het verbond tussen mensen kunt laten zien, is door wat ze aan elkaar geven. Dat kan een cadeau zijn of een blijvende herinnering. Deze zondag is het ook moederdag en misschien zijn kinderen daar ook mee bezig. Iets aan hun ouders geven dat zichtbaar uitdrukking geeft aan de liefde en de zorg die er tussen hen beiden is. Dat kan iets zijn, dat lekker is, bijvoorbeeld chocola, maar vaker is het een blijvend cadeau. Een prachtig zelfgeknutseld kunstwerk dat je neerzet op een mooie plek en je bij het zien doet herinneren aan de band die er is met je kind. Een herinnering ook voor die momenten dat het lastig is in de opvoeding. Of gewoon als een kind lastig is. Zo is in het verhaal van Noach de boog in de lucht, de regenboog, de herinnering aan Gods verbond, Gods contract met zijn mensen. God zal het niet meer laten regenen zodat het tot een zondvloed komt. De regenboog is daar het symbool van. De boog verschijnt pas in de lucht als de zon door de regen heen breekt, zoals het nieuwe leven door de chaos heen breekt. Nooit meer heeft de chaos het laatste woord. Ook als we er weinig van terug zien, ook als God niet in ons midden is. Ook als de liefde weg is, ook als er andere mensen of winkels komen. Dat wat vastgelegd is, heeft waarde omdat beide partijen er toen hun naam aan verbonden hebben. En God blijft zijn naam daaraan verbinden.

 

Zondag 20 mei 2018
Genesis 11, 1-9
Handelingen 2, 1-24
RK: Handelingen 2, 1 – 11 en Johannes 15, 26 – 27 ; 16, 12 – 15
En voor de derde keer gaat het mis. Na de zondeval en de zondvloed, vallen de mensen nu van hun eigengebouwde voetstuk als ze een toren tot in de hemel willen bouwen. Een toren die hen beroemd zal maken. Deze Bijbeltekst is direct ook een kritiekpunt vanuit de ballingschap in Babel waar het volk nu verblijft. De vlakte Sinear is daar ook te lokaliseren. En het Babel van die tijd zal ook hebben aangedaan als zo’n stad met hoogbouw. Het was toen het centrum van de wereld(macht). In het vorige hoofdstuk lazen we over het geslachtsregister van Noach. Zeventig volken worden gepresenteerd, de wereldvolken, allen met hun eigen leider en taal. Maar hoe is dat dan zo gekomen, al die verschillende talen? De verklaring daarvoor gaat terug op deze geschiedenis. God heeft de volken verstrooid omdat ze niet meer samen zouden kunnen werken om op te klimmen tot God. In Genesis 11 worden de diverse talen gezien als een straf van God. Mooi om te lezen hoe God het allemaal aanziet en dan besluit af te dalen, vanuit de hemel is het project niet goed te aanschouwen. Van onderaf bezien zijn wolkenkrabbers gigantische gebouwen. Eenmaal in een vliegtuig in de lucht komen ze weer in perspectief te staan. De mensen jutten elkaar op tot een hang naar groter en hoger. Gods gang naar de aarde maakt het weer zichtbaar, zo groots en geweldig is het nog niet, vanuit een hemelse blik bezien. Deze zondag valt de lezing van Genesis 11 samen met Pinksteren. Het wonder van Pinksteren is ook het wonder van elkaar weer kunnen begrijpen en verstaan. Dit is niet alleen een kwestie van talen. Verschillende culturele achtergronden en uiteenlopende levenservaringen kunnen begrip net zo moeilijk maken. Dit wonder hebben wij mensen nodig, zowel in persoonlijke relaties als op maatschappelijk vlak of tussen volkeren. Waar echt begrijpen mogelijk wordt, is de Geest aanwezig. Het is boeiend hoe het Pinksterverhaal antwoordt op het verhaal van de menselijke verdeeldheid (Genesis 11). Begrip en gemeenschap worden werkelijkheid, maar niet door de terugkeer naar één taal. De talen, de verschillen tussen mensen worden gerespecteerd. Pinksteren overstijgt deze verschillen zonder mensen gelijk te maken. Ook dit is een kenmerk van de Geest: mensen worden in hun individualiteit erkend en tot gemeenschap geïnspireerd. En die Geest is gericht op het tot bloei brengen van de mens zonder daar zelf beroemd van te worden. De Geest verwijst altijd weer terug naar de Schepper zelf.

 

Zondag 27 mei 2018
Exodus 3, 1-6
Johannes 3, 1-16
RK: Deuteronomium 4, 32-34 en 39-40 en Matteüs 14, 12-16 en 22-26
Je kunt op twee manieren naar het nachtelijk bezoek van Nikodemus kijken. Je vindt hem óf schijnheilig, omdat hij 's nachts stiekem naar Jezus gaat óf dapper, omdat hij de sociale code van de groep waarbij hij hoort durft te doorbreken en tegen Jezus zijn bewondering uitspreekt. Het eerste komt nog terug in een woord uit de tijd van de Reformatie: Nikodemieten. Daar werden schijnheilige mensen mee bedoeld. Of dat recht doet aan Nikodemus is de vraag. Bij het tweede passen de volgende overwegingen. De tijd van het bezoek kan bewust gekozen zijn. De nacht is het moment van de rust en in de joodse wereld, zo rond de tijd van het Paasfeest (zie Johannes 2, 23), ook de tijd om te studeren in de Thora. Juist door die tijdsaanduiding lijkt het dat Nikodemus tijd neemt om met Jezus na te denken over de thematiek van het Paasfeest: bevrijding. De schrijver Johannes gebruikt in hoofdstuk 3 en 4 (het gesprek met de Samaritaanse vrouw bij de bron) dezelfde stijl. Hij zet Jezus tegenover een naïeve gesprekspartner, die door zijn vraagstelling Jezus de kans geeft om onderwijs te geven. Nikodemus fungeert als lijdend voorwerp daarvan, want na zijn eenvoudige vraag rond 'terug in de moederschoot' en de herhaling ervan in vers 9 verdwijnt hij van het gesprekstoneel en spreekt Jezus zelf verder. Sowieso verloopt het gesprek vreemd en voelt Jezus vanaf het begin van het gesprek aan als een slechte luisteraar. Het antwoord op de eerste opmerking van Nikodemus waarin hij Jezus met God verbindt, sluit daar echt niet bij aan. Johannes gebruikt de concreetheid van het gesprek om te doen wat hij als schrijver graag doet: duidelijk maken dat Jezus vanaf het begin van de schepping met God verbonden is en als verhoogde Heer leeft in eeuwigheid. Het gesprek over de Geest heeft een hoog filosofisch gehalte. Het is mooi dat Johannes daarin een verbinding legt met de wind, die waait waarheen hij wil. Het effect van de wind maakt het onzichtbare zichtbaar. Zo zal ook het effect van de Geest zichtbaar worden in het leven van een mens. Of Nikodemus dat op dit moment al begrijpt, is de vraag. Het is mooi dat hij later in het evangelie nog twee keer terugkeert (in 7, 45-53 en in 19, 39). Hij heeft écht ontdekt wie Jezus is.

 

Zondag 3 juni 2018
Deuteronomium 26, 5-11
Marcus 2, 23 - 3, 6
RK: Deuteronomium 5, 12-15 en Marcus 2, 23-(28) 3, 6
De sabbat en de synagoge spelen in de eerste hoofdstukken van Marcus een belangrijke rol. Voor Jezus is dat de plaats en de dag waar hij de toon zet voor zijn werk onder de mensen. De synagoge was immers de plaats waar de mensen zich in Gods aanwezigheid wisten. In die aanwezigheid mocht niets of niemand aan Gods heiligheid afbreuk doen. Daarom werden zieken en gebrekkigen uit de synagoge geweerd. Maar Jezusmaakte zich juist zorgen om het feit dat mensen in de synagoge lichamelijk, geestelijk of sociaal niet tot hun recht kwamen. Jezus wist dat God na de schepping op de sabbat kon rusten omdat alles wat Hij gemaakt had 'goed' was. Nog meer wist hij dat de sabbat ook een herinnering was aan de bevrijding uit de slavernij: eindelijk een dag dat je geen slaaf hoefde te zijn. Niet van een machthebber, niet van je werk. Maar ook: hoe kon een mens tot rust komen als hij geknecht werd door ziekte en pijn? Was de sabbat ook niet een voorproefje van de grote sabbat aan het einde der tijden. De verhalen van vandaag staan in het teken van die goddelijke rust, van die voltooidheid van de schepping. Maar waar blijf je dan met het gebod van God en Gods heiligheid? Met argwaan wordt de toestemming van Jezus gadegeslagen: 'Is aren plukken op de sabbat geen werk? vragen de Farizeeën Hem. Want wat betreft werken op sabbat hadden ze een groot aantal geboden en verboden opgesteld. Daarop spreekt Jezus hun aan: 'is de mens er voor de sabbat of is de sabbat er voor de mens!' Eenzelfde situatie doet zich voor in een synagoge wanneer zich daar een man bevindt met een verschrompelde hand. Weer zijn de Farizeeën gespitst op de activiteiten van Jezus. Ze vragen niet naar de onrust van de man die eigenlijk ook niet in de synagoge mag komen, en die er uitgerekend op de sabbat aan herinnerd wordt hoe onvolledig hij als mens is. Nee, ze komen over het hoofd van de man met de vraag 'Is genezen een leven redden; moet je dan het kwaad maar zijn gang laten gaan?' De Farizeeën raken gepikeerd over de ondermijning van hun gezag zodat hun hart alleen maar verhardt. Vervolgens geneest Jezus die man. De Farizeeën beramen op sabbat plannen om die doorvrager, die Jezus van Nazareth, uit te weg te ruimen.

 

Zondag 10 juni 2018
Rechters 12, 1-6
Marcus 3, 20-35
RK: Genesis 3, 9-15 en Marcus 3, 20-35
Jezus roept aan alle kanten weerstand op. Marcus beschrijft ook in dit gedeelte de confrontatie met schriftgeleerden. Dat is een terugkomend thema in het evangelie volgens Marcus. Hier pakken de schriftgeleerden het wel heel rigoureus aan door te benoemen dat Jezus in de ban is van duivelse machten en demonen. Tegelijk roept zijn optreden weerstand op bij zijn familie. Ook zij zien met lede ogen aan hoe Jezus te werk gaat, hoe hij grote mensenmassa's op de been brengt en hen confronteert met zijn boodschap. Ze zien daar geen duivelse invloeden in, maar zijn ervan overtuigd dat Jezus niet goed bezig is. Wij zouden verwachten dat zij die Jezus van dichtbij kennen en van zijn missie weten, hem de ruimte zouden geven om te doen wat hem te doen staat. Maar niets van dat alles. Binnen het familieberaad is blijkbaar een vonnis over hem uitgesproken. Hij moet inbinden. Daarom is familie op weg naar Jezus. Hebben ze geen oog voor zijn roeping? Herkennen ze het vuur niet waarmee hij zijn weg gaat? Hoort hij zich te gedragen zoals van hem wordt verwacht? Zo gaat het bij Jezus niet en zo zal het ook de rest van zijn leven niet gaan. De heilige bewogenheid die hem bezielt, de daden die hij doet en de woorden die hij spreekt, zijn van andere orde. Van hogerhand aan hem gegeven. Familie, omstanders en schriftgeleerden zijn niet in staat om dat te zien. Jezus laat zich niet corrigeren. Bemoeizucht en onbegrip neemt hij voor lief. Daarmee laat hij zien dat de geest van God zich niet aan banden laat leggen. Die Geest laat zich niet leiden door bloedverwantschap, familiebanden of familiebelangen. Mensen worden broeders en zusters van elkaar door geestverwantschap. De beeldspraak die Jezus gebruikt om dat aan zijn tegenstanders duidelijk te maken is veelzeggend: innerlijke verdeeldheid in koninkrijk of gemeenschappen leidt alleen maar tot afbraak. Marcus maakt duidelijk dat Jezus een moeilijke weg kiest, maar uit overtuiging niet anders kan.

 

Zondag 17 juni 2018
Ezechiël 17, 22-24
Marcus 4, 26-34
RK: Ezechiël 17, 22-24 en Marcus 4, 26-34
In de bijbel is de boom vaak symbool voor water in de grond, voor schaduw en rust. Op de woestijnreis van de Joden was de wijnstok het ideaalbeeld van het beloofde land. Dat zou betekenen een vaste woonplaats en rust, aanwezigheid van grondwater en schaduw, en dorstlessende wijn als vrucht van de wijnstok in plaats van verontreinigd water. Een land van belofte; een beeld van een boom dat uitgroeit tot de gedachte van het Koninkrijk van God. In het evangelie wordt de 'mosterdboom' genoemd als voorbeeld voor het Koninkrijk van God, waarvan de omvang in geen verhouding staat tot de nietigheid van het zaad. Al in het begin van dit bijbelgedeelte wordt er gewezen op een samenhang tussen het Koninkrijk en de mens. Door diens toedoen begint het, en uiteindelijk mag hij er de vruchten van plukken. Maar wat er gebeurt in die tussenperiode, tussen zaaien en oogsten, slapen en opstaan, dag en nacht, wordt beschreven als een geheimenis. De groei van het Koninkrijk, het werk dat God doet om zijn Koningschap op de wereld te vestigen, onttrekt zich aan ons begrijpen en arbeiden. Er is kiemkracht in het zaad, waardoor het lijktalsof de groei 'vanzelf' gaat, zegt Jezus, en in het Grieks staat er dan 'automatè'; we zouden haast zeggen: automatisch! Zo gaat het toe met Gods plannen in de wereld. Schijnbaar gebeurt er niets en lijkt het werk van de mens vruchteloos. Maar laat je niet ontmoedigen, wil het verhaal zeggen. Zien, soms even - want je mag een gerechtvaardigde verwachting hebben van het Koninkrijk van God. Sterker nog: in Ezechiël staat er dat, als het helemaal niet gaat met het land en het volk, 'de Heer zelf een twijgje van de ceder zal nemen en het zal planten op een hoge en verheven berg van Israël. En het zal uitgroeien tot een prachtige ceder, waaronder vogels van allerlei pluimage zullen wonen. En alle bomen zullen weten, ook de sappige, dat ik een dorre boom heb doen uitspruiten! Ik, de Heer heb het gesproken en zal het doen!'

 

Zondag 24 juni 2018
Job 30, 15-26; 38, 1
Marcus 4, 35-41
RK: Job 38, 1; 8-11 en Marcus 4, 35-41
Het verhaal begint met een uitnodiging van Jezus: 'Laten we het meer oversteken' (NBV). Maar dat is een wel erg vlakke vertaling van zijn woorden. Andere vertalingen geven hier dat ze naar de overkant varen. En daar klinkt iets in door van gene zijde, van een andere werkelijkheid waarmee we ons verbonden weten. Zoals in het bekende gedicht van Martinus Nijhof: 'Ik ging naar Bommel om de brug te zien./ Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden/ die elkaar vroeger schenen te vermijden/ worden weer buren.' Of zoals in het kinderversje: 'Wie gaat ermee naar engelenland varen.' Ze steken niet het meer over, maar de levenszee. Het gaat om de mogelijkheden en onmogelijkheden om te geloven. Om in dit leven en deze tijd uitzicht te blijven houden op de overzijde, op het Koninkrijk dat komt. In die worsteling van ons lijkt het dan maar al te vaak of God ligt te slapen. Of het Hem niets kan schelen wat ons overkomt. Of Hij onverschillig blijft dat de schepping in doodsstrijd verkeert. Zo vertelt Marcus ons dat de Heer ligt te slapen. Maar als hij is opgewekt (een betere vertaling dan 'wakker is geworden') spreekt hij de wind bestraffend toe en zegt tegen de zee: 'Zwijg! Wees stil.' De macht van de dood en het kwaad is eens en voor al gebroken. Omdat het Pasen is geworden. Maar de leerlingen weten dat nog niet. Ze hebben inderdaad nog te weinig geloof. Eerst zal Jezus als een nieuwe Jona, die immers ook lag te slapen op het achterdek, nog overboord moeten, om hen nieuwe moed te geven. Dan gaan ze het verstaan. Nu nog niet. Nu zijn ze alleen nog maar ontzet. Maar in die ontzetting kondigt hun bevrijding zich al aan.

 

Zondag 1 juli 2018
Jesaja 3, 25-4,6
Marcus 5, 22-43
RK: Wijsheid 1, 13-15; 2, 23-24 en Marcus 5, 21-43
Twee verhalen die Marcus door elkaar heen vertelt en die op het eerste gehoor weinig met elkaar te maken hebben. De vrouw die hem onverhoeds aanraakt, zou dat op elk moment hebben kunnen doen, wanneer Jezus omringd wordt door de menigte. Maar Marcus vertelt het hier: wanneer Jezus op weg is naar het huis van Jaïrus en hij door dit oponthoud ogenschijnlijk te laat komt. Laten we beide verhalen eerst ontrafelen om ze dan weer te verbinden. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedingen lijdt, staat symbool voor de mens die haar vruchtbaarheid als een vloek is gaan beschouwen. Zij heeft veel te geven, maar ervaart dat als een last. Want zij moet ook voortdurend geven en zorgen en aan anderen denken zonder er zelf iets voor terug te ontvangen. Uiteindelijk is er niets van haar zelf overgebleven. Haar bestaan is doodgebloed. Wanneer zij dan toch haar hand uitsteekt om iets voor zichzelf te vragen, kan dat niet onopgemerkt blijven. Jezus moet haar daad aan het licht brengen, om haar zelf aan het licht te brengen als de mens vol talenten, die zij is. Het dochtertje van Jaïrus is met haar twaalf jaar nog geen vrouw en ze krijgt de kans ook niet om vruchtbaar in het leven te staan, omdat de dood ertussen komt. Haar mogelijkheden worden bij voorbaat in de knop gebroken. Daardoor kan zij eveneens niet uitgroeien tot een zegenrijk bestaan. Die twee hebben zo toch iets met elkaar te maken. De zee aan mogelijkheden die het leven biedt, kan ons angstig maken zodat we er maar liever niet aan beginnen. We begraven ons talent uit vrees het leven te verpesten. De vrouw die Jezus onderweg tegenkomt, is de vrouw die het dochtertje van Jaïrus vreest te worden. Dat nooit. Nog liever een doods bestaan dan een mislukt leven. Maar ook hier weet Jezus de goede toon te vinden om het leven voor haar te openen.

 

Zondag 8 juli 2018
Ezechiël 2, 1-7
Marcus 6, 1-6a
RK: Ezechiël 2, 2-5 en Marcus 6, 1-6

Jezus keert terug naar huis. Hij gaat naar zijn vaderstad. Maar daar kennen ze hem te goed, om iets van hem aan te nemen. Ze zijn zo vertrouwd met zijn achtergrond dat ze zijn toekomst niet kunnen zien. Ze staan er te dicht op om het wonder te kunnen zien. Dat gevaar bedreigt voortdurend de mensen om Jezus heen. Dus ook de kerk. We kunnen zo vertrouwd met de Heer zijn, dat we al denken te weten wat hij gaat zeggen en doen. De verrassing is eraf en het evangelie verliest zijn frisheid. Het wordt weer het oude liedje. En dat is eerder de wet die we elkaar opleggen en de maat die we elkaar nemen, dan het bevrijdende woord van God Daarom is het zaak hier op de leerlingen te letten. Er staat dat Jezus naar zijn vaderstad gaat en de leerlingen hem volgen. Er zit zo afstand tussen die twee. Eerst is er Jezus die ergens heen gaat. Dan is er de vraag of wij hem daar kunnen volgen. Indachtig het bekende lied uit Iona O waar wil je heengaan En kan ik je volgen? Het is soms goed om niet samen te reizen. We zouden Jezus nog gaan beschouwen als het vaandel voor onze goede zaak. Als de vlag op onze modderschuit. Nee, eerst is er de Heer. En de leerlingen volgen hem. Ze hebben hem niet in hun bezit. De Heer gaat zijn eigen weg.

 

Zondag 15 juli 2018
Jesaja 52, 1-6
Marcus 6, 6b-13
RK: Amos 7, 12-15 en Marcus 6, 7-13
Het hart van Jezus' missie is het goede nieuws verkondigen dat Gods koninkrijk dichterbij komt en de oproep dat mensen tot inkeer komen om er deel aan te hebben. (Marcus 1, 15) Het koninkrijk is nabij. Dat maakt de noodzaak groter om het overal te gaan vertellen. Kan Jezus dat wel alleen? Hij belast zijn leerlingen met de opdracht om het goede nieuws overal te gaan vertellen. Twee aan twee; want twee weten meer dan een. Twee is veiliger dan een, zowel voor de boodschap als voor de boodschapper. En wie zal geen geloof hechten aan het getuigenis van twee? Jezus geeft hen macht over de onreine geesten. Dat behelst veel meer dan het genezen van een gewonde ziel. Het verdwijnen van onreine geesten, die mensen bezeten maken, is een teken van het aanbreken van Gods koninkrijk. Er is zoveel dat mensen bezet kan houden, boze gedachten over elkaar, gekmakende gedachten over zichzelf, angst voor de dag van morgen… Jezus heeft de macht om mensen daarvan te bevrijden. Zijn leerlingen delen in die macht. Bijna symbolisch voor de vrijheid die zij mogen verkondigen wordt de leerlingen opgedragen zich ook vrij te bewegen. Niet gehinderd door al te veel bagage of de zorg om geld maar vertrouwend op de gastvrijheid van mensen kunnen zij zich helemaal richten op hun taak. Het is ook een mooie les in Godsvertrouwen. Het goede nieuws dat ze brengen zal zeker op weerstand stuiten. Niet iedereen zal willen horen dat hij tot inkeer moet komen. Niet iedereen zal de moed hebben om nieuwe wegen in te slaan. Ook daarin mogen de leerlingen zich vrij bewegen. Ze zijn niet afhankelijk van de goedkeuring of waardering van de mensen die ze ontmoeten. Als ze ergens niet welkom zijn en de mensen niet naar hen willen luisteren, mogen ze vertrekken en het stof van hun schoenen schudden. Het was gewoonte om dat te doen als Joden niet-Joods gebied verlieten. Zij schudden de heidense stof af. Zo hoeven de leerlingen zich niets aan te trekken van onvriendelijke mensen en ze hoeven het niet mee te dragen als last. Daar gaan ze. Twee aan twee, ongehinderd. Want het goede nieuws van Gods koninkrijk moet overal naar toe.

 

Zondag 22 juli 2018
Jeremia 23, 1-6
Marcus 6, 30-44
RK: Jeremia 23, 1-6 en Marcus 6, 30-34

De twaalf leerlingen zijn teruggekeerd. 'Apostelen' worden ze genoemd. 'Gezondenen', mensen met een missie. Maar wie zich geroepen voelt voor anderen te zorgen, moet ook goed voor zichzelf zorgen. Daarom neemt Jezus hen mee om tot zichzelf te komen. Helaas krijgen ze maar weinig tijd om op te ademen. De menigte volgt hen. Jezus overziet hen vol medelijden, want, zegt Marcus met een Bijbels beeld, ze leken op schapen zonder herder. Lees bijvoorbeeld Numeri 27, 17 of Ezechiël 34, 5. Gods mensen zijn hulpeloos zonder leiding en richting nodig en Jezus geeft die. Hij neemt uitgebreid de tijd om hen te onderwijzen. Maar van geestelijk voedsel alleen kan een mens niet leven. De leerlingen dringen er op aan dat Jezus de mensen wegstuurt zodat ze eten kunnen gaan kopen. Maar Jezus zegt: 'Geven jullie hun maar te eten.' Wat dan volgt is misschien wel de samenvatting van datgene waarover Jezus hen langdurig onderwees: delen is vermenigvuldigen en: bij God is voor iedereen genoeg. In het groene gras, dat rijmt op de groene weiden waar het een mens aan niets ontbreekt (Psalm 23) ontbreekt het aan niets. Vijf broden en twee vissen zijn genoeg. Er is zelfs over. Oude verhalen klinken mee in wat Marcus vertelt; over het brood uit de hemel, genoeg voor elke nieuwe dag (Exodus 16); over Elisa die honderd profeten te eten geeft. Zijn bediende sputtert dat er veel te weinig brood is, maar er is genoeg en zelfs over. (2 Koningen 4, 42) Er klinkt ook al een nieuw verhaal in mee. Over de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Ook dan klinken de woorden 'zegenen, breken, delen'. Tot vandaag wordt overal deze maaltijd gevierd om Jezus te gedenken en om te vieren dat we overvloedig mogen delen in zijn liefde. We noemen hem 'brood van het leven' en we eren hem in het teken van de vis, ICHTUS; 'Jezus Christus, Zoon van God, Redder' betekent dat. Marcus vertelt het zo dat het oude verhalen oproept. Alsof hij in herinnering wil roepen hoe God voor zijn volk zorgt. Het is ook een nieuw verhaal, dat een vervolg krijgt in een mens die zichzelf uitdeelt alsof het niet op kan. Hij deelt zijn woorden, zijn liefde, zijn leven en zelfs zijn lichaam. Het is een verhaal dat elke keer waar wordt als wij hem gedenken. Het wordt waar als mensen delen.

 

Zondag 29 juli 2018
Jesaja 63, 7-14
Marcus 6, 45-52
RK: 2 Koningen 4, 42-44 en Johannes 6, 1-15
Dit is niet de eerste keer dat de leerlingen van Jezus ruw weer op het water meemaken. Marcus vertelt in hoofdstuk 4, 35vv over een hevige storm. Jezus is ook aan boord. Hij spreekt de storm bestraffend toe en wind en water komen weer tot rust. Daarbij hebben ze net van vijf broden en twee vissen gegeten met vijfduizend man. Je zou denken dat dat moed geeft voor een eventuele volgende storm. Zoals het goede apostelen betaamt zullen ze ook zonder Jezus moeten kunnen. Dat is niet zo en zo werkt Marcus toe naar een belangrijk thema in zijn evangelie: het onbegrip van mensen -zelfs van zijn eigen leerlingen - en het onvermogen te geloven.In hoofdstuk 8: 17 noemt Jezus zijn leerlingen zelfs hardleers. Goedbeschouwd is hier geen sprake van een storm maar van tegenwind. Dat is misschien nog wel frustrerender dan een storm. Je roeit maar komt niet vooruit; je spant je in maar het levert weinig op. Marcus doet zijn best om ons te laten begrijpen hoe beangstigend de situatie is. Het wordt al donker, de boot is midden op het meer en Jezus is onbereikbaar ver op het land. Ook hun vertrouwen hebben ze kennelijk op de kant laten liggen. Pas tegen het einde van de nacht, als ze al zo lang vergeefs hebben gezwoegd, moe en bang zijn, pas dan komt er hulp. Logisch dat ze dan denken met een spook te maken te hebben. Ze kunnen niet geloven dat hij erbij is als ze worstelen met de tegenwind en de golven. Herkenbaar voor die mensen die ooit hebben gedacht dat ze kopje onder zouden gaan in de problemen van het leven of zouden omkomen in wat hen overkwam. Hoeveel van hen hebben niet gedacht dat God er niet bij was en hen maar wat aan liet tobben. Maar dat is niet zo; we zijn niet alleen! 'Ik ben het' zegt Jezus tegen de tobbende leerlingen. Geen spook dus. Maar hij zegt er zoveel meer mee want 'ik ben' is de Naam van God en Jezus is in zijn naam gezonden. Opvallend is dat Marcus vertelt dat Jezus hen wilde voorbijlopen. We kennen dat beeld: God ging voorbij aan Mozes en riep uit wie hij wilde zijn: barmhartig, liefdevol en trouw. Zo was hij zijn volk voorgegaan door de zee. Zo zou hij zijn volk blijven voorgaan, als ze hem alleen maar wilden volgen. En dát lukt de leerlingen nu net niet. Ze durven Jezus niet te volgen. Ze raken in paniek als ze hem zien en er lijkt voor Jezus niets anders op te zitten dan bij hen aan boord te gaan. Wat is het jammer dat ze door het teken van de broden niet tot inzicht zijn gekomen. Later, na zijn dood, zullen zijn leerlingen eindelijk inzien dat dit een vooruitwijzing was naar zijn opstanding. Hij treedt niet alleen de angst voor het leven met voeten maar ook de angst voor de dood.

 

Zondag 5 augustus 2018
Deuteronomium 10, 12 -21
Jesaja 42, 1- 12
Marcus 7, 1 - 23
RK: Exodus 16, 1- 4. 12 - 15 en Johannes 6, 24 - 35

Enkele Farizeeën en Schriftgeleerden vallen Jezus aan met een punt van kritiek. De aanleiding is dat Jezus' leerlingen hun handen niet wassen voor het eten. Niet dat hun handen vuil zijn maar volgens de traditie van de voorouders zouden zij ze ritueel moeten wassen om weer rein te zijn. In 'volgens de traditie' zit het verschil van mening. Het handen wassen voor het eten, het reinigen van het kookgerei, maakte deel uit van een ingewikkeld systeem van reinheidsvoorschriften dat mondeling werd doorgegeven. Het staat dus niet in de Thora. Jezus schiet niet in de verdediging maar vecht terug. Huichelaars zijn het. Wat Jesaja heeft geschreven (Jesaja 29,13) is hen op het lijf geschreven. Ze maken Gods geboden ondergeschikt aan hun eigen voorschriften. Zelfs nog erger, door hun eigen regels slim in te zetten ontkrachten ze de geboden. In de Thora staat 'Toon eerbied voor uw vader en moeder'. Dat betekent dat kinderen voor hun ouders zorgen als ze op hoge leeftijd financieel afhankelijk worden. Door slim gebruik te maken van het voorschrift om geld vast te zetten voor de tempel ontlopen zij deze zorgplicht en bespotten ze God. Als we het hebben over rein en onrein is dit een vuil spelletje. Waar halen ze het gore lef vandaan om hun eigen regels belangrijker te vinden dan die van God! Reinheid zit hem niet in de voorgeschreven wasbeurten. Het zit hem ook niet in wat je eet. Dat komt immers niet in je hart terecht maar via je achterkant in de beerput. Reinheid heeft minder te maken met je buitenkant en meer met de binnenkant. Als zijn leerlingen om opheldering vragen, komt er een hele waslijst aan slechte gedachten die hun weg naar buiten zoeken als ontucht, diefstal, moord enz. Een smerige streek, vuilspuiterij, dat maakt een mens onrein. De regels en voorschriften zijn een lapmiddel om te verbloemen dat deze vuiligheid in elk mens aanwezig is. Het zit in ons en op gezette tijden komt het eruit. We kunnen dat niet wegpoetsen. We kunnen wel onze weg er door heen zoeken en daarvoor zijn de tien woorden van God genoeg. Die wijzen ons de weg naar God en elkaar.

 

Zondag 12 augustus 2018
2 Koningen 4, 8 - 18 (37)
Marcus 7, 24 - 30
De gangbare uitleg van dit verhaal is: Jezus is grof als hij de niet-Joodse vrouw afwijst en haar een hond noemt. Jezus moet nog leren dat de goedheid van God niet alleen is bestemd voor de Joden maar ook voor de heidenen. Hij moet zijn roeping breder leren verstaan. De vrouw is de heldin van dit verhaal. Zij laat zich niet afschepen en blijft vechten voor de geestelijke gezondheid van haar kind. Deze uitleg lijkt zo slecht aan te sluiten bij wat we hier voor lazen, over rein en onrein en Jezus' frisse blik over die begrippen. Het is een vreemd verhaal. Jezus bevindt zich op heidens grondgebied en wil daar onopgemerkt blijven. Waarom? Wil hij de mensen ontvluchten die maar niet willen geloven? Is hij zijn leerlingen beu die voorop lopen in hun onbegrip? Het staat er allemaal niet. Alleen dat in dat heidens gebied een heidense vrouw naar hem toe komt. Ze had over hem gehoord en deed een beroep op zijn macht. Waar hij in zijn eigen land stuit op afwijzing, geeft deze vrouw hem haar volledige vertrouwen. Het dilemma is bijna voelbaar: Jezus' roeping is in de eerste plaats om het goede nieuws aan de kinderen van Israël te brengen, want van daar zal de zegen zich verspreiden over alle volken op aarde. Maar hij kan toch het vertrouwen van deze vrouw niet beschamen. Die aarzeling hoor ik in wat Jezus zegt: 'eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen.' Dat houdt de deur open voor de anderen. Voor de fijnproevers: in het Grieks staat er 'tekna', 'eigen kinderen' of 'nakomelingen'. De vrouw heeft zelf een dochtertje en kan dat beamen. Zij komt ook op voor haar eigen kind. De aarzeling zit ook in 'honden'. Het is jammer dat de vertalers ons niet laten horen dat Jezus een verkleinwoord gebruikt. Bijna liefkozend heeft hij het over de hondjes onder de tafel. Jezus gebruikt dit woord niet grof maar met respect voor de volgorde die de weg van Gods heil kiest. De vrouw wordt er ook niet door afgestoten maar borduurt op Jezus' beeld verder. Op welke manier zullen de kinderen tekort worden gedaan als de hondjes de kruimels opeten? Zij ziet voor zichzelf ruimte. Opnieuw voor de fijnproevers: nu staat er 'paidioon', dat een veel neutraler woord is voor 'kinderen'. Daarmee haalt de vrouw de exclusiviteit van Gods goedheid weg. Die wordt niet minder als de heidenen er in delen. Om haar woord van vertrouwen wordt haar dochter genezen. Moest ook Jezus genezen, van een vooroordeel? Of is het voorval bedoeld om de gemeente van Christus te doordringen van de reikwijdte van Gods liefde? De gemeente waaraan Marcus schreef bestond immers niet alleen uit Joden maar zeker ook uit gelovigen vanuit de heidenen. (zie de uitgebreide uitleg van een Joods gebruik aan zijn lezers in 6, 3-5) Dat zal niet altijd makkelijk zijn geweest. Beiden mogen weten dat zij kinderen van God zijn.

 

Zondag 19 augustus 2018
Jesaja 35, 1 - 10
Marcus 7, 31 - 37
RK: Spreuken 9, 1 - 6 en Johannes 6, 51 - 58

We blijven nog even in 'het buitenland'. Nu zonder discussies. Er was daar een dove die gebrekkig sprak. Letterlijk en figuurlijk gaat er weinig van hem uit: anderen brengen hem naar Jezus en smeken hem deze man de hand op te leggen. Hij zal niets aan zijn benen gemankeerd hebben. We horen vooral dat er geen communicatie was. Niets om te vragen, te vertellen, te delen. Wat een eenzaam bestaan moet dat zijn. En wat een weldaad als iemand dan zijn best doet om wel te communiceren. Jezus trekt de man weg van de menigte. Hij was wel omringd door mensen maar toch geïsoleerd. En nu, geïsoleerd door Jezus, komt contact tot stand. Niet met woorden maar met gebaren. Heel lijfelijk legt Jezus zijn vingers op de zere plek: de dove oren, de tong die in de knoop zat. Zoals een moeder haar kind afkust, gebruikt ook Jezus spuug. Dan kijkt hij omhoog naar de hemel en zucht. Aan zijn lichaam kun je aflezen wat het hem doet en hoe hij dit biddend voor God brengt. Niet anders dan in verbondenheid met God kan Jezus zich ontfermen over deze mens en hem genezen. 'Effata' zegt hij. Een krachtig woord, een woord met macht waardoor de oren open gaan en de knoop uit zijn tong verdwijnt. De omstanders herkennen er de oude profetie in die op dat moment waar lijkt te worden: Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten. Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen.' Maar dat mogen ze dan weer niet van Jezus, jubelen. Hij verbiedt de omstanders iemand te vertellen wat er is gebeurd. Dat is kenmerkend voor het evangelie van Marcus: 'het Messiasgeheim'. Dat Jezus de Zoon van God is, dat is het geheim en dat versta je niet zomaar even. Dat begrijp je pas achteraf, als je het geheel van zijn leven, lijden en sterven kunt bezien in het licht van de Opstanding.

 

Zondag 26 augustus 2018
2 Koningen 4, 42 - 44
Marcus 8, 1- 21
RK: Jozua 24, 1 - 2a. 15 - 17.18b en Johannes 6, 60 - 69
Een tweede broodwonder. Waar is dat voor nodig? De eerste keer ging het om vijf broden voor vijfduizend mannen en bleven er twaalf manden over. Dit keer gaat het om zeven broden voor vierduizend mensen en er blijven zeven manden over. Misschien vinden we het antwoord op onze vraag hierboven in deze aantallen. Vijf en twaalf zijn de getallen voor Thora en Israël. Met de eerste maaltijd voedt Jezus zijn eigen volk. Zeven is het getal van de volkomenheid. Zeventig is het getal van alle volken van de aarde; met duizend kwamen ze uit de alle vier windstreken. We lazen hiervoor al dat het goede nieuws grensoverschrijdend mag zijn; in de ontmoeting van Jezus en de Syro-Fenicische vrouw en in de genezing van de dove niet-Joodse man in Dekapolis. Daarom deelt Jezus het brood ook op heidens grondgebied. Het brood dat leven geeft is voor iedereen. Terug in Galilea wacht een nieuwe discussie met de Farizeeën. Ze willen een teken uit de hemel. Met zoveel woorden zegt Jezus dat ze daar lang op kunnen wachten; hij hoeft zich niet te verantwoorden voor mensen die vol ongeloof zijn. Van de Farizeeën verwachten we ongeloof en onbegrip maar van Jezus' eigen leerlingen toch niet! Zij zijn oog- en oorgetuigen maar ze kijken niet goed en luisteren maar half. Als Jezus het met hen heeft over het zuurdesem van de Farizeeën, over het onbegrip dat alles doortrekt, maken zij zich druk over brood. Tot twee keer toe hebben ze gezien dat er genoeg voor iedereen is als Jezus erbij is en nu maken ze zich druk over een vergeten lunchpakket. Jezus is enorm teleurgesteld in hen. Marcus legt hem een citaat uit Jeremia in de mond. (5,21) Alsof hij zeggen wil: jullie lopen het risico dat jullie hetzelfde doen als in Jeremia's tijd. Toen waren mensen zo druk met eigen zaken en zorgen, dat ze God vergaten. De vraag is natuurlijk of wij wel zo onbevangen en zorgeloos durven zijn dat we ons niet meer druk maken de honger in onze maag maar ons concentreren op de honger in ons hart. Die honger wordt gestild door Jezus. Hij is het levensbrood. Opvallend in de beide broodverhalen is dat Jezus zijn leerlingen steeds betrokken heeft bij de vraag 'wat zullen we eten' en bij het antwoord. De leerlingen werden uitgenodigd om te kijken wat er wél was en om te geven wat ze bij zich hadden. Jezus heeft hen niet alleen laten zien dat door hem een wonder mogelijk is, maar dat zijn volgelingen deel zijn van dat wonder. Daar kunnen wij ons iets van aantrekken; niet gemakzuchtig zeggen dat het toch niets uitmaakt wat je doet, niet teleurgesteld zijn in wat er allemaal mist, maar zoeken naar wat er wél is in het vertrouwen dat dat gezegend wordt.

 

 

 

 

terug naar start