Theologische toelichting

Wim Barnard (Zeist) heeft de afgelopen decennia voor Bonnefooi (eerst het Westhillblad) de theologische toelichtingen gemaakt voor iedere zondag, die uitgangspunt waren bij het maken van het materiaal: verhalen, bijbelse navertelling, werkvormen, gebeden en liederen voor de kinderdienst. Met ingang van zomer 2007 is dat overgenomen door drs. Anna Zegwaard (Apeldoorn) en dr. Evert van Leersum (Barneveld), die de lijn van de toelichtingen doorzetten, maar daar wel hun eigen exegese- en taalkleur aan meegeven. Beiden, als ook de redactie van Bonnefooi, zouden het op prijs stellen als wij van de gebruikers een reactie zouden krijgen op de ervaring met deze nieuwe toelichtingen. U kunt deze zenden aan info@kinderdienst.nl.

 

Oecumenisch leesrooster

 

Uit de bijbel

 

Zondag 4 juni Pinksteren
Handelingen 2,1-24
Johannes 14, 23-29
RK: Handelingen 2, 1-11 en Johannes 20, 10-23

Vlak voor Jezus van de apostelen wegging en in de hemel werd opgenomen, drukte hij hen op het hart om bij elkaar te blijven in Jeruzalem en daar te wachten tot de belofte waarover hij met hen gesproken had in vervulling zou gaan. (Zie Lucas 24, 49 en Handelingen 1, 4) Zij zullen worden gedoopt met de heilige Geest. Tot dit moment zijn de apostelen bij elkaar gebleven en hebben zij misschien wel met elkaar, maar niet met anderen, gesproken over Jezus' opstanding. (Pas) Op het pinksterfeest krijgt dat goede nieuws vleugels in de vurige toespraak van Petrus. Eerst is er het geluid van een windvlaag. Dan verschijnen aan de apostelen een soort vlammen: vuurtongen. Wind en vuur zijn de tekens van Gods aanwezigheid en van zijn scheppende kracht. Het wordt pas wat met de aarde als Gods wind gaat waaien en de mens komt alleen tot leven door zijn adem. Lees Genesis 1 en 2 er maar op na. Vanaf het begin is Gods Geest verbonden met het leven van mensen op aarde en met de dingen waartoe zij in staat zijn. Zo wordt onder andere van Jozef, Mozes en Jozua gezegd dat de Geest van God op hen rust. Zonder die Geest is alles doods. (Ez 37) Wij zien het plaatje voor ons van de apostelen met een vlammetje boven hun hoofd, maar eigenlijk is er meer te horen dan te zien. Vuurtongen krijgen ze! Het vermogen om vol vuur te vertellen; hun mond zal overlopen met het warme pleidooi voor het nieuwe leven in Christus. Vanaf nu mag het goede nieuws van de opstanding als een lopend vuurtje rondgaan en aanstekelijk zijn. Het gaat niet zozeer om de woorden die de apostelen spreken. Iedereen verstaat hun enthousiasme. En zoals vuur geen verdeeldheid kent, zo is men op dat moment ook even een. Op Pinksteren vieren we dat Gods belofte, zijn woord waar we hem aan mogen houden, ons in de mond is gelegd. Om door te geven.

 

Zondag 11 juni Trinitatis
Exodus 34, 4-9
Matteüs 28,16-20
RK: Exodus 34, 4b-6. 8-9 en Johannes 3, 16-18

De Opgestane Heer had de opdracht gegeven om naar Galilea te gaan; terug naar waar de leerlingen geroepen waren en waar zij getuige waren geweest van Jezus' woorden en daden. Waar anders zullen zij hem ontmoeten dan op een berg. Geen berg die je op kunt zoeken in een atlas maar een bijbelse berg, een plaats voor de hoge ontmoeting tussen God en mensen, hoogtepunt voor wie geloven. Het is de berg van de Bergrede waar Jezus woorden gaf die richting gaven, zoals Mozes die ontving. Op een berg! Het is de berg waar Jezus' heerlijkheid zichtbaar werd, zoals God zich openbaarde op een berg aan Mozes, aan Elia. Het doet bovendien denken aan de berg waar de duivel Jezus alle koninkrijken van de wereld liet zien. Jezus kon het allemaal krijgen als hij zich neerboog voor de duivel maar Jezus was gehoorzaam aan zijn roeping en jaagde de duivel weg. De woorden die Jezus spreekt 'mij is alle macht gegeven..' zijn niet nieuw maar komen uit het visioen van Daniël over de komst van de Mensenzoon en het aanbreken van de tijd van God. Het is voor Matteüs zo duidelijk dat Jezus de verwachte Mensenzoon is dat hij op die oude droom teruggrijpt om te vertellen dat aan Jezus alle macht gegeven is. Het geeft zijn evangelie ook een soort urgentie mee: het gaat over de laatste dingen; over de voleinding van de wereld. Lees ook de hoofdstukken 24 en 25 nog eens na. Vanuit die urgentie worden de leerlingen op weg gestuurd om alle volken tot leerling te maken en de mensen te dopen. Leren en gedoopt worden, gedoopt worden en leren, zijn onlosmakelijk verbonden. Als wij onze kinderen ten doop houden, is dat een onvoorwaardelijk teken van Gods liefde maar zij zullen pas begrijpen wat dat betekent als wij hun dat ook leren. Matteüs had die mensen op het oog die zich voorbereiden op de doop door te leren om vervolgens in de paasnacht gedoopt te worden. Voor hen begint nieuw leven. Zij hoeven niet bang te zijn voor wat er op hen afkomt want Jezus zal bij hen zijn alle dagen, zoals God bij zijn volk was. (zie o.a. Ex 3,12 en Jesaja 41,10) Baby Jezus is uiteindelijk in zijn naam gegroeid: Immanuel. (Mt 1. 23) Zoals het was begonnen, zo zal het eindigen. Alleen maakt Matteüs de belofte wijder: het kind dat geboren werd om Israël te bevrijden is de bevrijder van alle volken op aarde.

 

Zondag 18 juni
Jesaja 12, 1-16
Matteüs 9, 35-10,15
RK: (11e zondag door het jaar) Exodus 19, 2-6a en Matteüs 9, 36 - 10, 8
Het is Jezus' missie om het koninkrijk van God te verkondigen en zieken te genezen. Zo begint dit gedeelte. Matteüs herhaalt hiermee letterlijk wat hij eerder schreef in hoofdstuk 4,23. Toen had Jezus net zijn twaalf leerlingen geroepen. Zij waren hem gevolgd en stonden al die tijd vooraan om te horen wat Jezus de mensen wilde leren; om te zien hoe hij mensen genas en demonen uitdreef. Nu zijn zij zelf aan de beurt. Het bevrijdende werk van Jezus is niet aan hem alleen voorbehouden maar is een opdracht aan ieder die hem volgt. Wat Matteüs in dit gedeelte toevoegt is Jezus' bezorgdheid om de mensen. Ondanks de grote hoeveelheid religieuze leiders, die er vast en zeker waren, beschouwt Jezus hen als schapen zonder herder. Daarin zit stevige kritiek verpakt op de Farizeeën en Schriftgeleerden. Daarom stuurt Jezus de Twaalf er op uit. Als leerlingen zijn ze geroepen maar als Jezus hen de macht heeft gegeven om onreine geesten uit te drijven en zieken te genezen worden ze apostelen genoemd. Dat betekent 'gezondenen'. Het zijn er niet voor niets twaalf: voor elke stam van Israël één. Al waren er in die tijd nog maar twee stammen over: Juda en Benjamin, die samen Judea vormden. De rest was hopeloos verdeeld. Met 'twaalf' droomt Matteüs ervan dat het goede nieuws het geheel van Gods volk bereiken zal. Naar de heidenen moeten zij (nog) niet gaan. Eerst moet Israël het horen; als middelpunt van de verkondiging van het evangelie. Later (zie Matteus 15,21vv en Matteus 28, 19) zal het goede nieuws zich ook verspreiden buiten Israël. De verkondiging is niet bedoeld om er aan te verdienen. Het beloofde heil is gratis en voor iedereen. Daarom reizen de apostelen licht, zij hoeven zich geen zorgen te maken over wat zij zullen eten of wat zij zullen aantrekken. Hun eerste zorg is het goede nieuws en alle andere dingen zullen hen erbij gegeven worden. Dat klinkt hen vast bekend in de oren (Matteus 6,31 vv). Als gezondenen van God zijn zij het waard dat er voor hen wordt gezorgd. Omgekeerd mogen de apostelen onderzoeken wie het waard is om hen te ontvangen: waar zal hun boodschap in goede aarde vallen? Troostend vind ik het dat mensen van God niet eindeloos hoeven leuren met hun verhaal. Ze hoeven niet over zich te laten lopen maar mogen verder trekken als er geen oor voor hen is.

 

Zondag 25 juni
Jeremia 2,7-13
Matteüs 10, 16-33
RK: (12e door het jaar) Jeremia 29,1-13 en Matteüs 10,26-33

We gaan verder met de lange toespraak van Jezus die begon in 10,1. Dit is de tweede na de Bergrede. Er zullen er nog drie volgen. Deze toespraken onderscheiden Matteüs van de andere evangelisten. Met zijn joodse achtergrond en zijn joodse publiek zal hij het getal vijf niet voor niets hebben gekozen: de Tora bestaat ook uit vijf boeken. Daarin staat het belangrijkste. De rest is daaromheen geschreven. Zo staat in de vijf toespraken die Matteüs Jezus in de mond legt het belangrijkste. Wie dat kan onthouden, weet genoeg. De mensen die Jezus op weg stuurt zijn kwetsbaar. Even kwetsbaar als hij zelf zal blijken te zijn. Eens komt de dag dat Jesaja's droom uitkomt en 'wolf en lam samen zullen weiden'. (Jesaja 65,25) maar tot die tijd gekomen is, moeten zij voorzichtig zijn: scherpzinnig als een slang die slaapt met zijn ogen open en altijd op zijn hoede is, maar ook argeloos als een duif om onbevangen de vredeboodschap te brengen. Ook toen waren mens als wolven voor elkaar en gingen zij voor hun eigen hachje door anderen voor het gerecht te brengen. Het evangelie zal een bron van ergernis zijn voor velen, een splijtzwam die dwars door families heen gaat. Tegelijkertijd zal het mensen samenbrengen: leerlingen en leermeesters, heren en slaven, ze zijn voor het koninkrijk gelijk. Het evangelie zal ook onstuitbaar zijn, een niet te remmen kracht. Wat verborgen is, moet wel openbaar worden en wat in het duister wordt gefluisterd mag in het volle licht van de daken worden geschreeuwd. Wie door het evangelie in moeilijkheden komt, hoeft niet bang te zijn. De dood van het lichaam is niet het laatste. God zal zich ontfermen over de ziel. Geen mens is er die de ziel kan doden. Als je al bang moet zijn, wees dan bang voor God die oordeelt over je ziel. Wees niet bang, zegt Jezus. Er valt geen mus dood neer zonder jullie Vader. Jammer genoeg wordt hier vertaald 'als jullie Vader het niet wil'; alsof God de dood van een musje zou willen; alsof God de dood van een mens zou willen! Er staat niet meer dan 'zonder jullie Vader' en dat betekent niet minder dan 'zonder dat Hij ervan weet' of 'zonder dat Hij erbij is.' Wanneer God zich al iets aantrekt van de dood van een mus, hoeveel te meer dan van de dood van een mens. Wie met God leeft, heeft niets te vrezen, maar leef niet zonder hem. (Lees ook 'Uit de Bijbel…..' van 2 juli voor een nog beter verstaan van deze tekst.)

 

Zondag 2 juli
Jeremia 29, 1,4-14
Matteüs 10, 34-42
RK: (13e zondag door het jaar) 2 Koningen 4, 8-11 14-16a en Matteüs 10, 37-42

Wat is het niet? Jezus is niet gekomen om de Wet en de Profeten af te schaffen (Matteüs 5,17). Dat hebben de mensen mogelijk wel van hem gedacht of verwacht. Zo is hij ook niet gekomen om vrede op aarde te brengen. In ieder geval niet zoals van hem wordt gedacht of verwacht. Jezus komt geen vrede brengen zoals daarover wordt gedroomd door de profeten. Zijn komst heeft alles te maken met verdeeldheid, een tegenkracht tegen alles wat verkeerd is; een tegenkracht die als een wig mensen uit elkaar zal drijven. Matteüs gebruikt daarvoor een citaat uit Micha 7,6. 'De zoon veracht zijn vader, de dochter verzet zich tegen haar moeder…..' Micha keert zich daar tegen het geloof dat de belofte van Gods tijd onvoorwaardelijk is en dat deze niet afhankelijk is van hoe mensen zich gedragen. Wanneer mensen maar raak leven, ligt onrecht op de loer. Ook Jezus is er heel duidelijk in dat het koninkrijk van de hemel vraagt om bekering, om een andere manier van leven. Dat is niet zomaar wat. Je moet durven loslaten wat of wie jou in die manier van leven belemmert. Zelfs als dat familie is. Het is een radicale keuze voor Jezus. Niet iedereen kan of wil die beslissing nemen. Niet iedereen kan het aan dat de veiligheid van familie en huisgenoten wegvalt. Want er komt onzekerheid en onveiligheid voor terug. In deze woorden van Jezus -evenals in het voorafgaande gedeelte- vinden we de ervaringen terug van de christenen in de tijd van Matteüs. Het feit dat mensen Jezus wilden volgen, gaf onderlinge conflicten in de joodse gemeenschappen waartoe zij behoorden. Als Matteüs het in vers 17 heeft over 'hun synagogen' zijn dat toch echt de gebedshuizen waartoe zij zelf behoorden. Ook die veiligheid valt weg en er komen spanningen, verraad en onderlinge vervolging voor terug. Wie Jezus wil volgen is zijn leven niet zeker. Je krijgt te maken met verlies, met kruis. Jezus bemoedigt deze volgelingen door het om te draaien. Verlies wordt behoud. Wie oude zekerheden durft los te laten is vrij om het goede te doen. Al is het maar een beker water geven aan iemand die in de ogen van de goegemeente een 'geringe' is maar in de ogen van God een rechtvaardige. In de ogen van goegemeente en de religieuze leiders waren de volgelingen van Jezus 'gering', te min. Maar in Gods ogen zijn zij de rechtvaardigen. Zo'n goede daad zal beloond worden, want wie een goede daad bewijst aan een van Gods geringen bewijst deze weldaad aan Jezus die hen gezonden heeft. Wie Jezus een weldaad bewijst, eert daarmee God. De toespraak is afgelopen. Jezus stuurt zijn leerlingen weer op weg (11,1).

 

Zondag 9 juli
Zacharia 9,9-12
Matteüs 11, 25-30
RK: (14de zondag door het jaar) Zacharia 9,9-10 en Matteüs 11,25-30

Dit gedeelte is een dankgebed van Jezus. Het begint met een specifieke tijdsaanduiding: 'in die tijd' (kairos). Daarin klinkt meer door dan het simpele 'toen'. Het is een beslissend moment; de tijd is rijp. Voor dit moment (20-24) heeft Jezus de steden verweten dat zij zich niet hebben bekeerd. Zij hebben wel wonderen gezien maar zij hebben niet ingezien dat in Jezus God zelf aan het werk is. Nu is het tijd om verder te gaan. De wijzen en verstandigen, daarmee bedoelt Jezus de geleerden van die tijd. De specialisten op het gebied van de Tora, de modelgelovigen. De Tien Woorden waren ondertussen uitgegroeid tot een indrukwekkende bijlage van 613 voorschriften. Dat zijn er zoveel dat het dagelijks leven daar wel eens heel ingewikkeld van kan worden (zie bijv. Lucas 13,15). Jezus haalt op een andere plaats vinnig naar deze wijze mannen uit als hij zegt: 'Ze bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten' (Matteüs 23, 4). De geleerden hebben weinig begrepen van het geheim van het koninkrijk. Gelukkig begrijpen de mensen die God op het oog heeft het wel - de eenvoudige mensen, de losers, de armen van geest, de zachtmoedigen. Zij zien dat in de Zoon de Vader zichtbaar wordt. Deze mensen roept Jezus zegenend naar zich toe. Bij hem gaat het niet om de leer maar om de leraar. En om de vraag of je bereid bent hem te volgen. Daarmee verandert de Bijbelse betekenis van het woord 'juk'. Het komt veel voor in het Oude Testament maar altijd in negatieve vorm: iets dat wordt opgelegd, iets waaronder je onvrijwillig gebukt gaat en waarvan je bevrijd wilt worden. Het juk waarover Jezus spreekt is een juk dat je vrijwillig op je neemt. Het doet me denken aan 'He ain't heavy, he's my brother,' van The Hollies. Wat je in liefde doet voor een ander, is misschien wel zwaar maar je gaat er niet onder gebukt. Het is een last maar niet zonder vreugde. Jezus vraagt niet weinig van de mensen, volledige gehoorzaamheid aan de Tora, maar het is een zacht juk omdat het niet onderdrukt maar bevrijdt.

 

Zondag 16 juli
Jesaja 55,6-13
Matteüs 13, 1-9; 18-23
RK: (15e zondag door het jaar) Jesaja 55,10-11en Matteüs 13,1-(9)23

Met de gelijkenis van de zaaier begint de derde lange toespraak van Jezus, de zogenaamde gelijkenissenrede. In deze toespraak gaat het vooral om de geheimen van het koninkrijk van de hemel. Technisch gezien is deze eerste gelijkenis geen echte, want anders dan andere begint deze niet met 'Het is met het koninkrijk van de hemel als met…..' Hier begint Jezus gewoon te vertellen. De gelijkenis gaat over de manier waarop de boodschap van het koninkrijk wordt verspreid en hoe die boodschap wordt ontvangen. Valt hij in goede aarde of horen de mensen wel maar luisteren ze niet; en zien ze wel maar missen ze inzicht. De zaaier, dat is natuurlijk Jezus zelf. Hij zaait goede woorden, liefdevolle daden. Jesaja vergelijkt ook Gods beloften met zaad. Als de ballingen twijfelen aan die beloften, krijgen zij te horen dat Gods woorden als zaad zijn. Geen woord dat uit zijn mond komt zal vruchteloos terugkeren (Jesaja 55,11). Gods woord zal tot bloei komen als het in goede aarde valt. Zowel de vruchteloosheid als de vrucht krijgen veel nadruk. Driekwart van het zaad zal nooit opkomen omdat het terecht komt langs de weg, wordt opgegeten door de vogels of verstikt door het onkruid. Je zou er moedeloos van worden. Maar dat wil deze gelijkenis niet vertellen. Ondanks de mislukking en de teleurstelling mag er gerekend worden op vrucht. Zelfs buitensporig veel! Dat is bemoedigend voor de christenen in de tijd van Matteüs die teleurstellende ervaringen hebben opgedaan bij het verspreiden van het evangelie. Hun nieuws wordt niet overal positief ontvangen maar ze mogen erop vertrouwen dat wat er wel landt bij de mensen rijke vrucht zal dragen. Het gaat er dus om dat diegenen die het woord begrijpen en uitdragen zullen volhouden. Met deze nadruk op het uithoudingsvermogen van de gelovigen haalt Matteüs iets van de urgentie van het koninkrijk weg. Aan de ene kant wordt ervan geschreven dat het elk moment kan aanbreken. Dat vraagt om een alerte en actieve geloofshouding en zelfs om radicale keuzes. Aan de andere kant ervaren de mensen dat het eind van de tijd op zich laat wachten. Er is dus ook geduld en uithoudingsvermogen nodig. Het koninkrijk heeft tijd nodig heeft om te ontkiemen en te groeien. Net als het mosterdzaadje uit de gelijkenis die Jezus hierna vertelt.

 

Zondag 23 juli
Jesaja 40,12-25
Matteüs 13, 24-30; 36-43
RK: (16e zondag door het jaar) Wijsheid 12,13.16-19 en Matteüs 13,24-(30)43

Waar is eigenlijk het koninkrijk van de hemel? Is het onbereikbaar ver zoals de naam doet denken? Is het een plaats en tijd buiten ons bereik? Jezus vertelt over het koninkrijk als een manier van leven en samenleven waarin mensen hun verantwoordelijkheid kennen en nemen. Een tijd en plaats waar liefde en vriendschap heersen. En waar God regeert, royaal met zijn ontferming. Dat is niet zonder slag of stoot te realiseren en soms zie je daar niets van. Maar, vertelt Jezus, het geheim is dat het koninkrijk bescheiden begint als zaad dat zijn werk doet in het verborgene. Er is geduld nodig en vertrouwen dat het er echt van komt en dat jou ervan weerhoudt voortijdig te gaan schoffelen. Ook hier worden de ervaringen van de christenen uit Matteüs' tijd verbonden met de woorden van Jezus. De tegenwerking en teleurstellingen worden hier verbonden met de vijand, die moedwillig onkruid strooit. De zaaier en de vijand, de Mensenzoon en de duivel, staan lijnrecht tegenover elkaar. De mensen van het koninkrijk en de kinderen van het kwaad bevechten elkaar. Dat is zwart-wit, apocalyptische taal. Daarbij past een resolute oplossing: het kwade zal van het goede worden gescheiden op de dag van de oogst. Zoals in Micha 4 en Openbaring 14 wordt beschreven vindt bij de oogst de eindafrekening plaats. Engelen doen mee. Er is vuur en gejammer. Opnieuw taal die past bij de eindtijd. Hoewel Jezus tegen de leerlingen had gezegd dat zij de geheimen van het koninkrijk mochten kennen en dus geen gelijkenissen meer nodig hadden, vragen zij Jezus toch om de gelijkenis van het onkruid uit te leggen. Jezus reageert niet kritisch maar geeft antwoord op hun vraag. De drie gelijkenissen die dan volgen zijn specifiek bedoeld voor hen. Jezus heeft immers de mensenmassa al naar huis gestuurd. Deze gelijkenissen geven ook antwoord op hun vraag naar het onkruid. Vast vooruitlopend op wat nog komt: aan het eind van zijn toespraak zal Jezus hen vragen of zij nu alles hebben begrepen. Hun antwoord is dan kort en bondig 'ja'.

 

Zondag 30 juli
1 Koningen 3,5-12
Matteüs 13, 44-52
RK: (17e zondag door het jaar) 1 Koningen 3,5.7-12 en Matteüs 13,44-(46)52

'De akker is de wereld' had Jezus gezegd toen zijn leerlingen hem vroegen de gelijkenis van het onkruid uit te leggen. Op hun vraag geeft hij vervolgens ook antwoord met drie gelijkenissen. Als de akker de wereld is, is de schat te vinden in onze werkelijkheid. De schat is het koninkrijk van de hemel. Nee, het gaat verder. Het koninkrijk is een schat die gevonden wordt en een parel waarnaar gezocht wordt. Het gaat dus niet om de pure vergelijking maar om de activiteit; het gaat om de vreugde van het vinden, om het zoeken. Dat brengt mij bij de vraag of wij de tekens van het koninkrijk zouden herkennen en ook als zodanig interpreteren. Hebben wij inderdaad ogen die niet alleen zien maar ook inzien? En degene die de parel vindt, is daar actief naar op zoek. Weten wij waar we moeten zoeken en hebben wij er dan ook alles wat we hebben voor over? Dat koninkrijk van de hemel, wat mag dat ons kosten? Willen we er onze manier van leven op aanpassen, willen we afzien van bezit en zekerheid voor later? Die vraag is voor iedereen hetzelfde, al zijn wij verschillend. De schat in de akker wordt daar hoogstwaarschijnlijk gevonden door een dagarbeider, iemand die werkt op het land van een ander. Hij heeft het niet breed. De koopman is rijk genoeg om op zoek te gaan naar mooie parels. De gelijkenis van het sleepnet is de tweelinggelijkenis met het onkruid en het zaad. Ook hier wordt verteld (pas) bij de voltooiing van de wereld goed en kwaad van elkaar gescheiden zullen worden. Tot die tijd zit alles in hetzelfde tijd. Dat betekent dat gelovigen zich tot deze wereld hebben te verhouden en zich niet kunnen afzonderen. Wie weet welke wonderen er gebeuren en of onkruid niet opbloeit tot een prachtig kruid en een kind van het kwaad tot een rechtvaardig mens. De boodschap van het koninkrijk stuurt immers aan op verandering in mensen. De gelijkenissenrede wordt afgesloten met de vraag aan de leerlingen of zij nu alles hebben begrepen. Begrijpen zij wat de geheimen van het koninkrijk zijn en welke consequenties dat heeft voor wie gelooft. Op hun ja zegt Jezus dat iedere Schriftgeleerde lijkt op een huismeester die nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt. De oude kennis blijft, de Tora en de Profeten. Maar Jezus geeft er een nieuwe invulling aan. Hij vult het oude met een nieuwe belofte, die van het koninkrijk.

 

Zondag 6 augustus
Nehemia 9,15-20
Matteüs 14, 13-21
RK: (18e zondag door het jaar) Jesaja 55,1-3 en Matteüs 14,13-21

We kennen dit verhaal als 'de eerste wonderbaarlijke spijziging' of broodvermenigvuldiging. Marcus en Matteüs hebben namelijk allebei twee vertellingen over het brood. Er zit kennelijk iets in dat verteld móet worden. 'Wonderbaarlijke' legt een accent dat er eigenlijk niet in zit. Bij de beschrijving van andere wondertekenen vertelt Matteüs hoe de mensen onder de indruk zijn en dat het nieuws over Jezus als een lopend vuurtje rondgaat. In de broodverhalen is daar geen sprake van, terwijl er toch vijfduizend getuigen waren, vrouwen en kinderen niet meegerekend, en later nog eens vierduizend. (Matteüs 15: 38) Het accent ligt niet op het wonder en de verwondering van velen maar op de rol van enkelen, namelijk de leerlingen van Jezus. Zij moeten de mensen te eten geven. Zij moeten doorgeven wat Jezus aan hun geeft. Niet voor niets roepen de woorden van Matteüs de handelingen op van de viering van het avondmaal. Nemen, zegenen, breken en geven lezen we ook in Matteüs' beschrijving van het laatste avondmaal (Matteüs 26,26). Vlak voor Jezus sterft, houdt hij zijn leerlingen voor dat hij zelf het brood is dat gebroken en gedeeld wordt. Tot zijn gedachtenis komen sindsdien mensen samen om te breken en te delen. Als wij avondmaal of eucharistie vieren heeft dat ook een kritisch element. We beseffen dat niet iedereen brood te eten heeft en dat de gerechtigheid van het koninkrijk niet voor iedereen is. Het avondmaal brengt ons het belang van delen weer te binnen. In Jezus' woorden 'geven jullie hun maar te eten' zit dat ook verborgen. Het gaat over meer dan brood alleen. We horen dat in vers 19. Na nemen, zegenen, breken en geven komt 'en de leerlingen gaven ze door aan de mensen'. Dat is precies wat er gebeurt als Jezus straks niet meer in hun midden is. De eerste gemeenten kwamen bij elkaar rondom gebed en het delen van het brood. Doorgegeven werd het evangelie hoe Jezus zijn leven wilde delen met velen. Doorgegeven werd hoe zijn woord, zijn leven, voldoende is voor iedereen. Zelfs als je je bevindt in een afgelegen plaats, als het donker zijn intrede doet, mag je daaruit kracht opdoen. In het vervolg is te lezen dat je je dat geloof niet zomaar eigen maakt. Zelfs de leerlingen die er toch met hun neus bovenop staan hebben hun twijfels en zijn traag van begrip. Misschien zijn er ook daarom wel twee broodverhalen. Want het is niet een twee drie te begrijpen dat Jezus het niet heeft over het brood maar over zichzelf (zie ook Matteüs 16, 11)

 

zondag 13 augustus
Jona 2, 2 - 11
Matteüs 14, 22 - 33
RK: (19e zondag door het jaar) 1 Koningen 19, 9a.11 - 13a en Matteüs 14, 22- 33

Uit 'Suzanne' van Herman van Veen
En Jezus was een visser die het water
zo vertrouwde
dat hij zomaar over zee liep,
omdat hij had leren houden
van de golven en de branding
waarin niemand kan verdrinken.
Hij zei "als men blijft geloven
kan de zwaarste steen niet zinken".
Maar de hemel ging pas open toen
zijn lichaam was gebroken.
En hoe hij heeft geleden dat weet alleen
die visser aan het kruis.
En je wilt wel met hem meegaan.
Samen naar de overkant.
En je moet hem wel vertrouwen want
hij houdt al jouw gedachten in zijn hand.

Het gedeelte over de storm op het meer is een verhaal over vertrouwen. Op wie durven wij te vertrouwen als alles tegen zit, als het moeilijk wordt en wij de grond onder de voeten dreigen kwijt te raken. Onwillekeurig denk je aan de vluchtelingen die in wrakke bootjes de zee oversteken in de hoop op een betere toekomst. Wachtend op een uitgestoken hand die hen redt van de ondergang. De boot als enige houvast. Zoals de ark van Noach die er voor zorgde dat er weer leven mogelijk was na een tijd waarin alle grond onder de voeten was verdwenen. Als een teken van hoop. Na de overvloedige maaltijd aan de oever van het meer, dwingt Jezus zijn leerlingen op eigen kracht op weg te gaan - de alledaagse werkelijkheid in. Jezus zelf is niet bij hen. Hij is de berg op gegaan om te bidden na een enerverende dag. Inmiddels hebben zijn leerlingen met tegenwind te kampen. Ze staan er alleen voor. Zoals zo vaak in het leven. Het wordt nacht. Er steekt een storm op, de hoge golven slaan over het schip. De angst slaat toe. De zee staat hier symbool voor de dingen die mensen bang kunnen maken: ziekte, eenzaamheid, verlies, aanslagen, dood. Angst voor de toekomst van de wereld, voor de krachten die de aarde kapot kunnen maken. Het is de ervaring dat van het ene op het andere moment de grond onder je voeten kan worden weggeslagen. Dat je dreigt te 'verdrinken'. En dan midden in de nacht is Jezus daar. Hij zegt: Wees maar niet bang. Ik ben er. Hier is mijn hand en vertrouw op mij. Ik ben er zelfs door de dood heen.

 

Zondag 20 augustus
Jesaja 56, 1 - 7
Matteüs 15, 21 - 28
RK: (20e zondag door het jaar) Jesaja 56, 1. 6-7 en Matteüs 15, 21 - 28

Uit 'Zwartwit' van Frank Boeijen
Denk niet wit, denk niet zwart.
Denk niet zwart-wit,
maar in de kleur van je hart

Mooi dat het gedeelte over de Kanaänitische vrouw in de bijbel terecht gekomen is. Dit verhaal is een prachtig voorbeeld over ontmoeten en hoe je door de ontmoeting anders over dingen kunt gaan denken. Omdat je een mens ontmoet en niet een 'buitenlandse'. We zien hier dat ook Jezus moeite heeft om zonder vooroordeel naar mensen te kijken. Mensen van buiten Israël worden als 'onrein', niet zuiver op de religieuze graat, gezien. In het gedeelte hieraan vooraf, heeft Jezus net een redevoering gehouden over rein en onrein. Jezus is verrast dat deze 'onreine', een vrouw die niet tot het volk behoort, hem aanspreekt. Hij is overdonderd en wijst haar in eerste instantie af. 'Ik ben er alleen maar voor de verloren schapen van het huis Israël', zegt Jezus. Hij is er alleen maar voor zijn eigen volk. Maar de vrouw laat zich niet afschepen. 'Heer, ontferm u', roept ze. Ze loopt niet boos weg. Ze vecht voor haar zieke kind. Dan zet Jezus haar neer als een hond. Op deze manier kennen we Jezus niet. Hij is hier snoeihard. 'Het is niet goed het brood dat voor de kinderen (eigen volk) bestemd is, aan de honden (de anderen, de heidenen) te geven. De vrouw pakt het positief op en herinnert Jezus eraan dat ook de hondjes eten van de kruimels die van de tafel van hun meester vallen. Zij erkent daarmee Jezus als meester en daarmee overtuigt ze Jezus. Deze vreemde vrouw is de enige vrouw in de bijbel die het van Jezus wint. Door haar ontdekt Jezus het spoor van de volkeren. Misschien wel door haar zijn wij als 'heidenen', dat wil zeggen mensen van buiten Israël, betrokken geraakt bij het heil (heelmaken) vanuit Israël. De dochter is genezen door het grote vertrouwen van de moeder. Wanneer we verder lezen zien we dat Jezus weer een immense menigte voedt, maar nu niet van zijn eigen volk, maar van de volkeren. Nu zijn er niet twaalf manden (getal voor Israël), maar zeven (getal voor de volkeren) korven over. Het 'wij - zij' schema wordt doorbroken en ook wij, buitenstaanders, mogen volop delen in het heil dat in principe bestemd is voor alle volken.

 

Zondag 27 augustus
Jesaja 51, 1 - 6
Matteüs 16, 21 - 27
RK: (21e zondag door het jaar) Jesaja 22, 19 - 23 en Matteüs 16, 13 - 20

Uit 'Kan het niet alleen' van Stef Bos
Ik kan bergen verzetten
ik kan grenzen verleggen
ik kan de tijd laten stilstaan
verliezen en doorgaan
maar ik kan het niet alleen.

Voor Jezus is het een heilig moeten om naar Jeruzalem te gaan. Net zoals het een heilig moeten is voor iemand om een kind te redden uit een brandend huis of om je vakantie op te geven omdat je ouders je nodig hebben. Je kunt het ook een heilig moeten noemen om een vluchteling op te nemen. Het heeft nogal wat consequenties en het word je niet altijd in dank afgenomen. Het maakt wel het leven van mensen mogelijk en daar gaat het uiteindelijk om. Jezus moet naar Jeruzalem gaan en de confrontatie met de joodse leiders aangaan. Hij moet laten zien dat hij de kant kiest van de mensen die niet meekunnen, degenen die niet meetellen. Hij kiest daarmee niet de kant van het religieuze establishment, van de mensen die precies weten hoe het hoort. Hij weet wat hem te wachten staat en toch gaat hij. Als hij dat niet gedaan zou hebben, zouden we waarschijnlijk nooit meer iets van Jezus gehoord hebben. Dat de leerlingen Jezus tegen willen houden is begrijpelijk. Vooral Petrus krijgt er van langs. 'Ga terug achter mij, Satan'. Satan is de hinderaar. De uiteenwerper. De stem in jezelf die zegt: Zou je dat nu wel doen? Denk aan jezelf. Jezus heeft alle steun van zijn leerlingen nodig en juist degene die net heeft beleden dat hij weet wie Jezus is, wil hem nu tegenhouden. Petrus is een struikelblok voor Jezus. Dat kan Jezus niet gebruiken. Het is al moeilijk genoeg. Hij beveelt Petrus om hem te volgen. 'Achter mij aan' 'Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen'. Je moet er wat voor over hebben. Jezus kan het niet alleen. Hij heeft de Eeuwige meer dan nodig en ook ons. RK leest Matteüs 16, 13 - 20. In dit gedeelte wil Jezus weten of de mensen weten wie hij is. Jezus noemt zich Mensenzoon en nergens zoon van God. Dat betekent dat Jezus, hij die bij God hoort, kiest voor de mensen. Petrus belijdt dat Jezus bij God hoort. Hij krijgt de sleutels van het koninkrijk, maar heeft in het vervolg van de geschiedeis lang niet altijd de goede sleutel in handen.

Zondag 3 september
Jeremia 7, 23 - 28
Matteüs 17, 14 - 20
RK: (22e zondag door het jaar) Jeremia 20, 7 -9 en Matteüs 16, 21 - 27 (zie 27 augustus)

Uit 'Kan het niet alleen' van Stef Bos
Ik kan de zwaarte van je schouders laten vallen
en tegen de verdrukking in
dwars door alles heen
de hemel op aarde laten zien
maar ik kan het niet alleen.

Jezus is met drie van zijn leerlingen de berg op gegaan, de berg van de 'verheerlijking'. De andere leerlingen blijven achter. Bij terugkomst blijkt dat ze tevergeefs hebben geprobeerd een jongen te genezen. Waarschijnlijk lijdt de jongen aan een vorm van epilepsie. Hij kan zomaar in het water of het vuur vallen. Water en vuur. Twee elementen die zowel positief als negatief kunnen uitwerken. Het water dat verkoeling geeft en water waarin je kunt verdrinken. Het water van de doop, maar ook het water van de dood. Het vuur van de loutering en de geestkracht. Een vuurdoop krijgen, zet mensen op weg. Maar vuur is ook alles vernietigend, denk bijvoorbeeld maar aan bosbranden. Sommige mensen die het niet met elkaar kunnen vinden zijn als water en vuur voor elkaar. De vader is bang voor zijn zoon en wanhopig richt hij zich tot Jezus. Jezus drijft de kwade geest uit en de jongen geneest. Zijn vader en hij krijgen weer grond onder de voeten en geestkracht om verder te gaan met hun leven (aarde, water, lucht en vuur, vier elementen die het leven mogelijk maken) De leerlingen willen na afloop weten waarom het hen niet gelukt is. Dan zegt Jezus, dat hun geloof te klein is. Waarschijnlijk hebben ze al bij voorbaat gedacht dat het hun toch niet zou lukken zonder Jezus. Als je al bij voorbaat denkt dat het toch nooit anders zal worden, weet je nu al dat er niets zal veranderen. Als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: 'Verplaats je van hier naar daar en dan zal hij zich verplaatsen'. Jezus zegt hier 'die berg' en niet een berg zoals in de Bijbel in Gewone Taal. Denkt Jezus hier aan de berg waar hij zojuist vandaan komt, de berg van de verheerlijking? De leerlingen en ook wij hoeven maar een piepklein beetje geloof te hebben en er kunnen wonderen gebeuren.

 

Zondag 10 september
Ezechiël 33, 7 - 11
Matteüs 18 (1) 15 - 20
RK: (23e zondag door het jaar) Ezechiël 33, 7-9 en Matteüs 18, 15 - 20

Uit 'Lied om vergeving' van Mirjam Weijers
Niet gedaan wat moet gedaan,
achteloos gezwegen.
Aarzelend wat blijven staan,
angstig voor wind tegen.
Kijk, hier zijn we zomaar, klein en moe;
moeten verder, Jij mag weten hoe.

'Als één van je broeders of zuster tegen je zondigt… Zondigen is de plank misslaan. Een verkeerd doel raken. Een misverstand is snel geboren. Daarom is het goed om het eerst met degene die jou gekwetst heeft of die je niet in je waarde laat, te gaan praten. De meeste mensen vinden dat erg moeilijk. Ze vertellen liever aan een ander wat er gebeurd is. De kunst is om de ander niet gelijk te beschuldigen, maar vanuit jezelf te zeggen wat jou dwarszit. Dat kan ontwapenend en verhelderend zijn. Geef iemand de kans om op zijn of haar schreden terug te keren. Maar soms is iemand niet voor rede vatbaar en dan ga je met bemiddelaars werken. Soms helpt dat ook niet. Dan is de relatie verbroken. Dan stelt deze persoon zichzelf buiten de gemeenschap. Maar toch is het dan niet einde verhaal, want Jezus zoekt wat verloren is. De weg van de terugkeer of de omkeer is nooit definitief afgesloten. Jezus spreekt hier tegen zijn leerlingen op weg naar Jeruzalem. Zijn onderwijs is niet nieuw. In het Oude testament, in Leviticus 19, 17 en in Deuteronomium 19, 15 wordt al opgeroepen niet haatdragend te zijn tegenover onze medemens. Daar wordt de regel gesteld dat alleen een verklaring van twee of drie getuigen rechtsgeldig is. De leerlingen zullen zonder Jezus verder moeten en het is van groot belang te weten hoe ze moeten handelen en spreken. Zij mogen mensen (terug)brengen naar de stal van het Rijk van God. Wat jullie op aarde bindend verklaren, zal ook in de hemel bindend zijn. Dat wil zeggen dat de hemel ontsloten zal worden en dat de hemel nooit gesloten zal zijn. De zaak van God is geen puur individuele zaak. Wie niet in een gemeenschap wil staan, heeft geen tegenover. De verleiding is dan groot om alleen dat te accepteren wat alleen jou aanstaat. Er is niemand die je op andere gedachten kan brengen en dat is jammer. We mogen elkaar aanspreken op ons gedrag op een pastorale manier. 'Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, ben ik in hun midden', zegt Jezus. Het gaat niet om grote getallen. maar om aandacht en liefde voor elkaar. Twee of drie is al voldoende.

 

Zondag 17 september
Exodus 32, 7 - 14
Matteüs 18, 21 - 35
RK: (24e zondag door het jaar) Sirach 27, 30 - 28, 7 en Matteüs 18, 21 - 35

Uitspraak van Marten Luther 1519
'Maar kijk, jij die zo sputtert, oordeel jezelf,
spreek van jezelf, zie wie je bent, steek de hand
in eigen boezem, dan zul je het kwaad van je
naaste wel vergeten, want je hebt aan jezelf je
beide handen vol, ja over- en overvol.

'Hoe vaak kan iemand mij kwaad doen en moet ik vergeven?' vraagt Petrus. Het antwoord van Jezus is: 'Altijd!' Zeventig maal zeven is altijd. Na vergeving kan een mens weer met een schone lei beginnen. God is vergevend en verzoenend en nodigt ons uit om barmhartig te zijn naar elkaar. Letterlijk betekent vergeven loslaten. Je laat je claim op een ander los. Je geeft de ander ruimte om verder te gaan. Jezus antwoordt met een gelijkenis. In de gelijkenis overdrijft Jezus geweldig om des te beter te laten uitkomen waar het om gaat: leven mogelijk maken. De koning scheldt de enorm grote schuld van de knecht kwijt - tienduizend talenten maar liefst. Tienduizend was in die tijd het grootst mogelijke getal en de talent had de grootste geldwaarde. Ook al zou de knecht het willen terugbetalen, het zou hem nooit lukken. Zo, wil Jezus zeggen, is God jegens ons, onvoorstelbaar grootmoedig. Deze koning laat zijn dienaar vrij. Hij laat hem gaan. Hij vergeeft. Voor God is de mens belangrijker dan schuld. Zo kostbaar is vergeving. Dat is wel iets anders dan 'sorry zeggen, zand erover, we praten er niet meer over'. Het kost heel veel! Als er iets is misgegaan, roept dat schuldgevoelens op. Ook al kan je er soms niets aan doen. Er is veel wat mensen simpelweg overkomt. Schuldgevoel kan je ook aangepraat worden. Er zijn mensen die de schuld altijd bij een ander leggen. Zij hebben het nooit gedaan. Zo'n houding roept agressie op. Het lijkt wel of de man die net gehoord heeft dat zijn enorme schuld is kwijtgescholden de consequenties van die genade niet beseft. Hij is niet in staat de ander zijn schuld te vergeven. De verontwaardiging is groot. God vergeeft, vergeef dan ook jezelf en de ander. Vergeving spreekt niet vanzelf. Daarom laat Jezus ons bidden: Vergeef ons onze schulden, want zegt Paulus: ' Wat ik niet wil, doe ik toch en wat ik écht wil, doe ik niet'. (Romeinen 7) Daarom kunnen we niet zonder vergeving.

 

Zondag 24 september
Jona 3, 10 - 4, 11
Matteüs 20. 1 -16
RK: (25e zondag door het jaar) Jesaja 55, 6 -9 en Matteüs 20, 1 - 16a

Tekst van Ben Sleumer
Stel je voor dat het geen droom zal zijn:
Dat de armen voortaan de voornaamsten zijn
Wie verdriet heeft wordt blij, de gevangenen vrij
en ontheemden vinden hier een veilig huis
Stel je voor …

Een vreemd verhaal over die werkers in de wijngaard. Welke baas geeft zijn werknemers nu hetzelfde loon? Terwijl de één zich de hele dag heeft uitgesloofd en de ander op de valreep mee gaat doen, krijgt de één net zoveel als de ander. Dat is toch te gek voor woorden? Jezus vertelt hier een gelijkenis. Een gelijkenis is een verhaal met een dubbele bodem en er gebeuren altijd dingen in die volgens onze maatstaven niet kunnen. Jezus geeft antwoord op veel gestelde vragen - over hoe het zit tussen God en ons mensen. God houdt er andere maatstaven op na dan wij. Deze God, zegt Jezus, heeft uiteindelijk maar één betaalmiddel. Hij wil ons allemaal het volle pond geven. Alle werkers krijgen één schelling. Dat is voor iedereen ruim voldoende voor het leven van alledag. Maar het druist in tegen ons gevoel voor rechtvaardigheid. Wij willen loon naar werken. De wijngaard staat symbool voor Israël, de eerstgeroepene. Zij hebben de Tora, de richtingwijzers voor het leven. De volgende groepen moeten het hebben van het vertrouwen dat de Heer rechtvaardig is. 'Ik zal jullie geven wat rechtvaardig is', zegt de heer van de wijngaard. De laatste groep is de groep die buiten de boot valt. Zij komen niet aan het werk, omdat ze niet gezien worden. 'Niemand wilde ons hebben', zeggen ze. Wanneer ze uiteindelijk toch gezien worden, zijn ze zo blij dat ze voor niets aan het werk gaan. Het gaat erom dat met vereende krachten de oogst wordt binnengehaald en om samen te delen in de goedheid van de heer bij het oogstfeest. Iedereen mag meedoen en er wordt niet gekeken naar meer of minder. Iedereen zal naar vermogen meegewerkt hebben met het oogstfeest in het vooruitzicht. Zo zal het gaan in het Koninkrijk van God. Maar wanneer de laatsten evenveel krijgen als de eersten is de verontwaardiging groot bij degenen die langer gewerkt hebben. De parabel eindigt met de vraag: 'Zijn jullie kwaad omdat ik goed ben?' Het einde van dit verhaal lijkt op het einde van het verhaal van de verloren zoon. De liefde van de Eeuwige is grensoverschrijdend. Tegelijk zit er een oproep in om oog te hebben voor wie niet mee kan. De laatsten zijn de eersten in het Koninkrijk van God.

 

Zondag 1 oktober
Ezechiël 18, 1 - 4.25 - 32
Matteüs 21, 23 - 32
RK: (26e zondag door het jaar) Ezechiël 18, 25 - 28 en Matteüs 21, 28 - 32
Jezus is aangekomen in Jeruzalem en hij is in de tempel. De hogepriesters en de oudsten van het volk vragen naar de bevoegdheid van Jezus. Zij zijn de oudste 'zonen'. Zij waken erover dat ieder leeft volgens de regels. Zij gedragen zich correct. Er is niets op ze aan te merken en toch… Een mens kan uit zorg voor God een karikatuur van God maken. Het is mogelijk dat iemand de wil van God doet, oprecht en vol overtuiging, en toch kil, hard en geestdodend overkomt. Zo iemand zegt wel 'ja' tegen God, maar doet 'nee'. Voor Jezus telt alleen dat wat leven mogelijk maakt. Blijdschap, vertrouwen, begrip en goedheid, daar draait het om. Het gaat niet alleen om mooie woorden, maar ook om daden. 'Ja' zeggen en 'nee' doen kennen we allemaal van dichtbij. Zo van: 'Je had toch beloofd om je kamer op te ruimen of om die brief op de bus te doen?' Toch gaat het hier om meer dan dat. De gelijkenis over de twee zonen (kinderen) aan wie gevraagd wordt te werken in de wijngaard gaat over de kinderen van Israël (de ene zoon) en de buitenstaanders, zoals de hoeren en de tollenaars (de andere zoon). Voor Jezus is gerechtigheid het belangrijkste. Het gaat erom dat mensen tot hun recht kunnen komen of te recht kunnen komen. Dat er recht gedaan wordt aan wie niet mee kunnen komen. In de bijbel is vaak sprake van twee zonen. Denk aan Kaïn en Abel, Jacob en Esau, Jozef en Juda, de twee broers uit de gelijkenis van de verloren zoon. Weer horen we hier dat de laatsten de eersten zullen zijn. Er staat niet dat de anderen niet binnengaan in het Koninkrijk van God. Zij zullen alleen de hekkensluiters zijn. Wanneer je er goed over nadenkt, doet niemand volledig de wil van de vader. Het gaat erom dat gedaan wordt wat Jezus vraagt. Ook al gaat het niet van harte. Wij mogen werken in de wijngaard van de wereld. In Jezus heeft het afgedaan de wereld te verdelen in goede en slechten, gelovigen en ongelovigen, kerkelijken en onkerkelijken. Belangrijk is dat de zonen niet veroordeeld worden (of geprezen). Er is werk te doen en het doet er niet toe wie het doet: als het maar gedaan wordt.

 

Zondag 8 oktober
Jesaja 5, 1-7
Matteüs 21, 33-43
RK: Jesaja 5, 1- 5 en Matteüs 21, 33- 43

De evangelist Matteüs geeft al hoofdstukken lang aan hoe de tegenstand vanuit de leiders van het volk tegen Jezus groeit. Ook hier in Matteüs 21, als Jezus al binnen de poorten van Jeruzalem is. De leiders van het volk reageren verontwaardigd op het geroep 'Hosanna, gezegend Hij die komt' tijdens de intocht. Ze vragen Jezus op basis van welk gezag Hij spreekt en handelt, met andere woorden: 'Ben jij wel een echte profeet? Moeten we wel naar jou luisteren?' En ze willen hem in de boeien slaan, maar durven dat niet omdat het volk in hem een profeet ziet. In die situatie waarin de druk op Jezus toeneemt, vertelt hij deze gelijkenis over de wijngaard. Met de vertelling over de wijngaard pakt Jezus een bekende profetische vergelijking op. Alle mensen weten meteen: 'een wijngaard, dan gaat het over ons, over Israël.' De wijngaard staat in Jesaja 5 symbool voor Israël, waar God (de 'geliefde' van de profeet) goede wijndruiven (de inwoners van Judea) heeft geplant. De profeet beschrijft hoe God deze wijngaard goed verzorgde, maar er toch geen zoete vruchten plukte. Onrecht oogst God er, in plaats van recht. Dit eindigt in een aankondiging van ellende. De gelijkenis in Matteüs pakt het begin van Jesaja op, maar werkt vervolgens de gelijkenis anders uit. De kernvraag is niet langer welke vruchten mensen voortbrengen: onrecht of gerechtigheid? Het gaat nu om erkenning van en eerbied voor de eigenaar. Naar wie willen de wijnbouwers (nog) wel luisteren? Ze zijn zo in beslag genomen door hun 'bezit' dat ze dit met hand en tand verdedigen, hoewel het helemaal niet van hen is. Ze zijn zelfs bereid de zoon van de eigenaar (de erfgenaam) er voor te doden. Nu zijn er wel vruchten, maar de wijnbouwers zijn niet bereid om deze af te staan aan de rechtmatige eigenaar. Uiteindelijk zal de eigenaar zelf komen, en wat moet hij dan doen, vraagt Jezus zijn toehoorders. De toehoorders veroordelen zichzelf: kwaad met kwaad vergelden en de wijngaard aan anderen overdoen. Zo wordt de spanning tussen Jezus en de Joodse leiders alleen maar verder opgevoerd. Want met de woorden van deze gelijkenis gezegd: de huidige leiders zijn vergeten dat zij alleen de hoeders van het volk zijn, het is niet hun bezit. Zij zijn het zelf die telkens opnieuw profeten doden zoals Johannes de Doper en ze zullen straks ook Jezus vermoorden, van wie bij de Doop in de Jordaan gezegd is dat hij Gods geliefde zoon is.

 

Zondag 15 oktober
Jesaja 25, 1-9
Matteüs 22, 1-14
RK: ( 28e door het jaar) Jesaja 25, 6 - 10a en Matteüs 22, 1 - (10)14

De Bijbel spreekt graag over maaltijden. Op deze zondag staan er twee centraal. Maaltijden, met elkaar eten, dat klinkt gezellig en gastvrij. Toch vonden veel maaltijden plaats om duidelijk te maken met wie je omging. 'Zeg me met wie je eet en ik zeg wie je bent.' Want het was (goed) gebruik om elkaar na een etentje bij jou uit te nodigen en zo nodigde men elkaar uit, als men enigszins kon verwachten dat je dan werd teruggevraagd. In Jesaja horen we over de kwaliteit van die maaltijd. Een geweldig mooi gedekte tafel met heerlijke gerechten en prachtige wijnen. En voor alle volken gedekt en Gods liefde en trouw wordt er zichtbaar. Aan deze tafel wist God de tranen van de ogen van zijn gasten. Ja, de norm aan deze tafel ligt hoog. En dat verwacht je ook in de lezing uit Matteüs. Hier wordt het Koninkrijk van God vergeleken met een koning die voor zijn zoon, die gaat trouwen, een waar feestmaal aanricht. Maar deze koning wordt in zijn hemd gezet: alle mensen die een uitnodiging krijgen, bedanken voor de eer. Hier gaat het Jezus niet om de kwaliteit van de tafel of van de gastheer, nu staat de kwaliteit van de gasten centraal. En zo gaat Jezus op de lijn van eerdere verhalen door: de leiders van het volk hebben de uitnodiging van God, de koning, in de wind geslagen. Dan maar alle mensen van de straat uitnodigen, want de kwaliteit van de tafelgasten zit niet in de status, zo blijkt, maar in hoe ze zich gedragen. Houden ze rekening met het bijzondere karakter van het feest? Eén persoon draagt geen kleed en is zo spelbreker in het feestgedruis en de koning heeft dat bij binnenkomst waargenomen. Het blijft natuurlijk wel een huwelijksfeest bij de koning, niet zomaar iets. Kun je de uitnodiging echt op waarde schatten? Of bederf je het feestje door je niet nette omgangsvormen en tafelmanieren te houden? Wie zitten er aan je tafel, die vraag doet volgens Jezus helemaal niet ter zake. Nee, hoe zitten ze aan tafel? Het genoemde kleed verwijst naar de voorbereiding op de grote huwelijksdag. De uitnodiging is voor iedereen, ongeacht je afkomst. Maar bederf het feestje niet. Toon een beetje eerbied en respect voor de gastheer die jou zonder een uitnodiging terug te verwachten aan zijn tafel vraagt.

 

Zondag 22 oktober
Jesaja 45, 1-7
Matteüs 22, 15-22
RK: (29ste zondag door het jaar) Jesaja 45, 1.4 - 6 en Matteüs 22, 15 -21

Jezus wordt onder vuur genomen en dat is de opmaat naar straks een uitgebreide en felle rede van Jezus tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën (Matteüs 23 en 24). Het zijn de farizeeën die het besluit (vers 15) nemen om Jezus op zijn woorden te gaan vangen. Een strikvraag dus. En ze worden in dit hoofdstuk steeds gesteld door direct belanghebbenden bij die vraag. De Herodianen waren aanhangers van Herodes en daarmee op de hand van de Romeinen. De vraag 'Aan wie moeten we belasting betalen?' was een netelige kwestie die alles met hun geloof en met de wet van Mozes te maken had. Het ging hier om de betaling van hoofdgeld: een vorm van belasting die de Romeinen sinds 6 na Christus hieven. Het vormde de directe belasting die door de keizer geïnd werd. Er was hier geen sprake van belasting op goederen, zoals invoerheffingen of tolbetalingen. Het ging hier om de directe belasting die ze moesten betalen aan de Romeinse 'bezetter'. En met geld dat in strijd was met de Thora. De tien geboden verbiedt het om afbeeldingen van mensen te maken en op het geld stond de afbeelding van de keizer, vaak met een opschrift als 'Zoon van God'. Welke Jood kon deze munt met goed fatsoen gebruiken? Daarom vraagt Jezus hen om een munt. Zo wordt meteen zichtbaar dat zij ook zelf de munten gebruiken. Wanneer Jezus nu deze vraag met JA zou beantwoorden, dan zou het volk hem verwijten dat ze van Jezus wel de gehate belasting moeten betalen. Antwoordt Jezus met NEE, dan zouden ze hem op kunnen pakken als opruier, die de bevolking aanzet tot ontrouw tegen de Romeinen. Het antwoord van Jezus: geef aan de keizer wat aan de keizer toebehoort, en aan God wat God toebehoort maakt hen geen steek wijzer. Sterker nog: ze krijgen nu op beide levensterreinen een spiegel voorgehouden. Leef zo zodat je de keizer kan geven waar hij recht op heeft. En leef zoals God ons vraagt te leven. Betaal God ook met gelijke munt terug. De vraag komt als een boemerang bij hen terug. Ze zijn nu aan zet om te antwoorden… ze druipen af. Dit antwoord is geen antwoord op de vraag: moet je nu wel of geen belasting betalen? Jezus overstijgt dat gesprek door erop te wijzen dat Gods koninkrijk langs andere wegen gediend wordt.

 

Zondag 29 oktober
Deuteronomium 6, 1-9
Matteüs 22, 34-46
RK: (30e door het jaar) Exodus 22, 20-26 en Matteüs 22, 24-40

Jezus krijgt in deze passage opnieuw een strikvraag voorgeschoteld. De thema's van deze strikvragen staan symbool voor de heikele thema's van die tijd, namelijk: wel of geen belasting betalen (zondag 22 oktober), wel of geen opstanding uit de doden en welk gebod is het belangrijkste? Om uiteindelijk zelf de vraag te stellen naar het gezag en het Heer-zijn van de zoon van David. Veel Joodse leraren in die tijd hielden zich bezig met de vraag: 'Welke van de 613 geboden uit de Joodse Thora, de wet van Mozes, is nu de grootste, de belangrijkste?' 613: de letters van het woord Thora vormen het getal 613, 248 geboden, evenveel als het aantal botten in het menselijk lichaam en 365 verboden, voor elke dag 1. Allemaal waren ze ingedeeld in lichte of zware geboden. Lichte geboden werden toch iets minder belangrijk geacht en gingen meer over rituele zaken. Zware geboden hadden betrekking op de eerbied voor de Godsnaam, de sabbatsrust of de eerbied voor het leven. In die tijd waren er talloze wet- en Rabbijnscholen die op basis van één wet boven alle andere wetten hun eigen manier van kijken naar de gehele Thora hadden. De keuze voor een wet bepaalde ook meteen de bril waardoor men naar alle andere wetten keek. En nu sturen de leiders een echte deskundige op het terrein van de Joodse wet naar Jezus om te horen welke van deze geboden hij boven de anderen verkiest. Het antwoord van Jezus loopt parallel met de tekst uit Deuteronomium 6, de geloofsbelijdenis van de Joden (vers 4), een tekst om op het hart te binden en dagelijks te overdenken: Heb God lief met geheel uw hart, ziel en verstand. Met andere woorden met alles wat in je is…hoofd, hart en handen. Vanzelfsprekend is dit het grootste gebod en daarmee ook het eerste in de rangorde. Maar het tweede gebod daaraan gelijk is qua inhoud gelijk. Jezus laat daarmee zien dat de wet zowel de verticale als de horizontale lijn even belangrijk acht. Liefde tot God uit zich ook in de liefde voor je naaste. Liefde tot je naaste staat ook symbool voor jouw liefde tot God. Ze zijn niet hetzelfde, maar ze horen onlosmakelijk bij elkaar, ze zijn op elkaar betrokken en geven het andere gebod meteen diepgang en gelaagdheid. Als een deur in zijn hengsels hangt het gehele oude testament (wet en profeten) in deze beide geboden.

 

Zondag 5 november
Spreuken 9, 1-18
Matteüs 25, 1-13
RK: (31e zondag door het jaar) Maleachi 1, 14b - 2,2b .8 - 10 en Matteüs 23, 1- 12

In de tussenliggende hoofdstukken (23 en 24) heeft Matteüs de woorden van Jezus over de Schriftgeleerden (wee jullie-rede) weergegeven en de vraag naar het einde der tijden laten beantwoorden. In die lijn staan ook de drie grotere gelijkenissen die Jezus in hoofdstuk 25 tot zijn leerlingen spreekt. Gelijkenissen die staan onder de hoogspanning van het moment, want in hoofdstuk 26 wordt Jezus uitgeleverd, maar ze volgen dus ook op het verhaal van Jezus over 'de laatste dingen'. De eerste gelijkenis betreft die van de tien dwaze en wijze meisjes die in afwachting zijn van de komst van de bruidegom. Tien meisjes, twee handen vol, zij representeren alle mensen. En hun wijsheid of dwaasheid verwijst terug naar de wijsheid/dwaasheid uit de Bergrede (Matteüs 7:24-28) waar het gaat over de wijze en dwaze man die een huis resp. op steen of op zand bouwen en naar de lezing uit Spreuken 9. In deze gelijkenis staat het gebruik van die tijd centraal om de bruidegom die nog in aantocht is te laten binnenhalen door de bruidsmeisjes in of bij het huis van de bruid, die zelf al aanwezig is. Alle tien vallen ze in slaap en daar wordt niets van gezegd: de komst van de bruidegom laat heel lang op zich wachten. Maar als ze dan opgeroepen worden tot hun oorspronkelijke taak, dan is de helft van de groep maar daarop voorbereid. De vijf wijze meisjes weigeren de anderen te helpen. Hun motief is duidelijk (en hard), want anders kan niemand de bruidegom binnenhalen. En daar draait alles uiteindelijk om. En in het licht van de wederkomst, waarin Matteüs dit verhaal vertelt, is er ook sprake van een laatste ernst. Het betreft hier een verantwoordelijkheid die niet op anderen overdraagbaar lijkt te zijn. De zorg voor voldoende olie kan niemand aan een ander overdragen. Het is de meest eigen daad die de mens moet doen, niet in het licht van deze 'laatste dingen', al zorgt dat wel voor de scherpte in deze gelijkenis. Als de bruidegom hen dan niet zegt te kennen, dan wordt er een formulering gebruikt die ook gebruikt werd om iemand (tijdelijk) buiten te sluiten. Het is een scherpte van binnenuit, gelegen in een eigen schuld waardoor deze scherpte ontstaat. En dat wil Jezus hier dan ook zijn leerlingen voorhouden: wees alert, wees waakzaam. Zorg dat je goed bent voorbereid. Het gaat er in dit verhaal niet om waar die olie precies symbool voor staat. Het gaat hier om een juiste houding, in lijn met de Bergrede van het begin van dit evangelie. Ben je gereed, ben je bereid, om te luisteren naar de Heer, in afwachting van zijn komst?

 

Zondag 12 november
Jesaja 48, 17-21
Matteüs 25, 14-30
RK: (32e zondag door het jaar) Wijsheid 6, 12-16 en Matteüs 25, 1-13

Je zou deze trits van gelijkenissen in Matteüs 25 als volgt kunnen samenvatten: Hoe bereid je je voor op de terugkomst van de Heer? Hoe ga je om met datgene wat de Heer aan bezit in jouw handen heeft gelegd? Hoe leef je dus in de tussenliggende tijd? Deze gelijkenissen staan dan wel in het licht van het naderende einde van het leven van Jezus en worden verteld na zijn rede over alles wat nog staat te gebeuren, maar Jezus spreekt deze woorden tot zijn leerlingen voor het nu waarin zij leven. Jezus bereidt zijn leerlingen en Matteüs zijn lezers voor op de vraag: Hoe leef je in de (onder)tussen-tijd? Zet je dat wat je ontvangen hebt in, om er goed mee te doen en het te laten groeien als een mosterdzaad? Uit deze gelijkenis spreekt ook lef, want twee van de drie besluiten zich niet te laten leiden door angst, maar met wat ze krijgen aan het werk te gaan. Ondanks het feit dat ze allemaal een zeer groot vermogen in handen hebben gekregen. Een talent was een munteenheid die neerkwam op zo'n 5000 euro. Het gaat hier dus niet eenzijdig om onze talenten (zoals goed kunnen leren of sporten), maar om alles wat je in handen hebt gekregen (tijd, middelen, etc.). In deze gelijkenis gaat het met de eerste twee dienaren goed en hun inzet verdubbelt. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom of je dat wat je als dienaar in handen krijgt op waarde kunt schatten en daarmee aan de slag gaat. De derde dienaar laat alles op zijn beloop en wordt gedreven door angst voor zijn heer, hoewel hij wel bezit van hem ontvangen heeft. Maar de angst gaat zo met hem op de loop, dat zelfs de gedachte aan spaarrente via de bank hem ontgaat. Angst is dus geen beste raadgever, helemaal niet als het de heer aangaat. Ook hier wordt de derde dienaar niet toegelaten tot het uiteindelijke feest, evenals de dwaze meisjes, en evenals de man zonder bruiloftskleed (Matteüs 22). Want als je hier en nu dat wat je in handen krijgt niet op waarde kunt schatten, hoe zou je dat straks en later dan wel kunnen doen? Het gaat erom dat het bezit goed en wijs wordt besteed. Het bezit is er ervoor om te renderen en te vermeerderen in de ondertussen-tijd.

 

Zondag 19 november
Ezechiël 34, 11-17
Matteüs 25, 31-46
RK: (32e zondag door het jaar) Spreuken 31, 10 - 13. 19 - 20. 30 - 31 en Matteüs 25, 14 - (- 15 - 19 - 21) 30

De kern van de tekst uit Ezechiël is de gerechtigheid. Een goede herder zal opstaan en hen gaan weiden in hun eigen land. Hij zal ook binnen zijn kudde niet tolereren dat de sterken de zwakkeren uit eigenbelang wegstoten. Zijn gerechtigheid zal functioneren in de onderlinge verhoudingen. Deze rechtspreker is geen scherprechter, maar een rechtzetter. Deze herder schept ruimte voor allen om samen te leven, veilig en zonder angst (34, 25). Zijn oordeel is toekomst scheppend en geen afrekening over het verleden. Tegen deze achtergrond klinken ook de woorden van Jezus over die andere herder die in zijn kudde onderscheid maakt tussen bokken en schapen. Voor Matteüs is Jezus de Mensenzoon. Jezus noemt zich niet de Messias, maar de Mensenzoon. Hij wil die Mensenzoon zijn, Hem ontmoeten wij in alle naasten-in-nood. Meetlat van deze Mensenzoon is: betoonde barmhartigheid, aan wie dan ook. Wie Hem niet herkennen, maar zich wel inzetten voor degenen die lijden, nodigt Hij in het Koninkrijk van God, jood of niet-jood. Het gaat om harde feiten, om ethiek die door hen handen en voeten heeft gekregen. Het gaat om betoonde gerechtigheid en niet om mooie woorden, of om een calculerende barmhartigheid. Wanneer hebben we u dan hongerig of dorstig gezien? Want als we hadden geweten dat U het was, sputteren de bokken tegen. Maar juist daar is het de Mensenzoon om te doen. Wil jij een naaste zijn van wie jij niets terugverwacht? Natuurlijk doen goede mensen goed aan hen die ook goed voor jou zijn. Maar kun je ook de ander van wie je dat niet verwacht liefhebben? Of liefde geven terwijl die ander onmachtig is om dat terug te doen aan jou? Juist in deze laatste gelijkenis wordt het kritische element van de Bergrede, ja van het gehele Matteüsevangelie zichtbaar. Dat kritische punt ligt ook rond de straf die zowel de derde dienaar (25, 14-30) als de bokken hier krijgen. Want voor wie Christus kent, is angst voor een hel absurd, het eeuwige vuur is nou net wat God niet wil. Daar kun je toch niet in geloven, dat heeft geen toekomst. Het beeld van de hel is er als waarschuwing, als accentuering van de ernst van wat er op het spel staat. Niet om ons schrik aan te jagen, maar als aansporing en herinnering dat het de mensenzoon te doen is om steeds opnieuw zijn volgelingen te herinneren aan een keuze voor het Leven (Deuteronomium 30, 17).

 

Zondag 26 november
Daniël 12, 1-4
Matteüs 24, 14-35
RK: (Christus Koning) Ezechiël 34, 11-12.15 -17 en Matteüs 25, 31- 46

Deze laatste zondag van de kerkelijke kalender is voor veel kerken een moment om terug te kijken naar de namen die uit hun midden ontvallen zijn. Er is ruimte voor verdriet, voor gemis. Maar dat terugkijken op wat was, staat in het licht van dat wat komen gaat. En tegen die achtergrond worden veelal deze lezingen gelezen. Teksten die de verwachting uitspreken dat er een tijd komt, waarin dood en verdriet niet het laatste woord hebben, maar waarin gerechtigheid aan allen zal worden gedaan. De hoop die spreekt uit deze teksten is: God zal rechtspreken. Deze tijd gaat voorbij. Definitief. Daar sprak Daniël 12 al van (de naam Daniël betekent God spreekt recht). Maar tot die tijd zullen we het moeten uithouden, zo stelt Jezus. En hij schetst een beeld van allerlei rampen en onheil dat over de mensen (of de mens over zichzelf?) zal worden afgewenteld. Jezus heeft dit alles niet meegemaakt, de verwoesting van Jeruzalem, de ontvolking van het land. Matteüs wel. Zijn Evangelie dateert, zo menen velen, van rond de jaren 75-85, al zal het oudere bronnen verwerkt hebben. Het zijn de dagen van ontreddering en heroriëntatie. Hoe moet het verder met ons? Kun je nog wel iemand vertrouwen? Je bent je leven niet zeker. En er zullen mensen komen die erop zullen wijzen dat dit het laatste moment zal zijn. Tom Wright vergelijkt het beeld dat Jezus gebruikt met een vossenjacht op een zomerkamp. De leiding heeft zich verkleed en gaat het dorp in en mengt zich tussen de gewone mensen zodat ze zo onherkenbaar mogelijk zijn. Je moet door de vermomming heen kijken, om te zien of ze het echt zijn. Vaak wordt er verkeerd geraden en worden gewone mensen voor hen aangezien. Of kinderen wijzen naar mensen: kijk daar, of hij is het. Maar Jezus zegt in deze passage, dat als het moment daar is, er geen twijfel over zal bestaan. Eén ding is tot die tijd zeker: de stem van degene die 'alle gerechtigheid' heeft vervuld zal niet verstommen. Te midden van de gruwelen die stem willen blijven horen, daarop vertrouwen, volharden, dat is de geloofsweg van de gemeente. Gerechtigheid, barmhartigheid, de kracht der liefde. Sterker dan de dood. Inderdaad: Gods spraak is beeldspraak. Hij kan niet anders. En wij ook niet.

 

 

terug naar start