Theologische toelichting

Wim Barnard (Zeist) heeft de afgelopen decennia voor Bonnefooi (eerst het Westhillblad) de theologische toelichtingen gemaakt voor iedere zondag, die uitgangspunt waren bij het maken van het materiaal: verhalen, bijbelse navertelling, werkvormen, gebeden en liederen voor de kinderdienst. Met ingang van zomer 2007 is dat overgenomen door drs. Anna Zegwaard (Apeldoorn) en dr. Evert van Leersum (Barneveld), die de lijn van de toelichtingen doorzetten, maar daar wel hun eigen exegese- en taalkleur aan meegeven. Beiden, als ook de redactie van Bonnefooi, zouden het op prijs stellen als wij van de gebruikers een reactie zouden krijgen op de ervaring met deze nieuwe toelichtingen. U kunt deze zenden aan info@kinderdienst.nl.

 

Oecumenisch leesrooster

 

Uit de bijbel

 

Zondag 5 maart 1e zondag van de veertigdagentijd
Genesis 2,15-3,9
Matteüs 4, 1-11
RK: Genesis 2,7-9; 3,1-7 en Matteüs 4,1-11

Aan het begin van de voorbereidingstijd naar Pasen lezen we over Jezus, die in de woestijn direct na zijn doop "lastiggevallen wordt' door de duivel. Op weg naar Pasen bereiden we ons voor door met Jezus mee de diepte van het leven in te trekken. De evangelist beschrijft het als het begin van Jezus' weg op aarde. Jezus wordt na zijn doop niet als een leider op het schild gehesen. Jezus wordt juist de diepte van het leven in gestuurd (vers 1). Honger, verleidingen en allerlei stemmen schreeuwen om zijn aandacht. Zo beginnen we deze veertigdagentijd dicht bij het leven zelf. 'Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd, is komen uit het water en staan in de woestijn' (Liedboek 538). De duivel, het kwaad, de brenger van dit alles, wordt door Matteüs geïntroduceerd als 'de beproever' (diabolos - hij die verdeeldheid (tweedracht) brengt). En dat is alles wat de stem hier doet. Tegenover Gods beloften klinkt een andere stem. Alsof de stem wil zeggen: 'Jij hoeft toch niet als Gods geliefde mens (Matteus 3,17), honger te leiden? Gebruik je macht en doe wat goed is in je eigen ogen.' Jezus wordt zo door de beproever geconfronteerd met de weeffout van de mens uit Genesis 3. Kan de mens wel leven met de gedachte dat hij alles in eigen hand heeft? Eva wordt verleid om toch juist van die ene boom te eten, te midden van alle bomen waarvan ze wel mag eten. Het is de stem van het kwaad, die de nadruk legt op het ene dat niet mag, in plaats van alles wat wel gegeven wordt. Jezus blijft sterk in zijn schoenen staan en pareert het kwaad met vertrouwen op Gods woorden. Zo laat Matteüs in deze voorbeelden zien, dat Jezus doet, wat het volk Israël in de woestijn naliet. De citaten in deze passage komen dan ook allemaal uit het boek Deuteronomium. Eindelijk zien we hier een echte Israëliet, wil Matteüs zeggen. Hij doet waar God zijn volk om vroeg. Wil je mij liefhebben enalleen luisteren naar mijn stem? Het zijn ook die woorden die klinken bij de doop, belijdenis en doopvernieuwing in de paasnacht. Wil je op Gods woorden alleen vertrouwen?

 

Zondag 12 maart 2e zondag van de veertigdagentijd
Exodus 24, 12-18
Matteüs 17, 1-9
RK: Genesis 12, 1-4a en Matteüs 17, 1-9

In de lezingen van deze zondag gaat het over zien en verborgen zijn. En wolken blijken daarin de scheidslijn te zijn. Als Mozes de berg opgaat, om in opdracht van God zelf, de Tien Woorden in steen gebeiteld, te ontvangen, dan zorgt een wolk ervoor dat Mozes uit het zicht blijft van het volk. De wolk verbindt Mozes met God en brengt tegelijk scheiding aan. Zoals in het verhaal van de uittocht en de doortocht door de woestijn het de wolk is, waarin God zich als Aanwezige toont. God leidt het volk naar beloofd land, een belangrijk onderscheid met de omliggende volken en goden. Maar de wolk heeft ook iets mysterieus, want Gods aanwezigheid laat zich niet meteen doorgronden. Daar, omringd door de wolk van de Heer, ontvangt Mozes de opdracht voor het volk: 'Luister naar mijn woorden'. Jezus nodigt een aantal leerlingen met hem de berg op te gaan. Hier is het de uitnodiging van Jezus die onderscheid aanbrengt tussen deze drie 'uitverkoren' leerlingen en de rest. En hier is het de wolk waarin God zich openbaart aan hen. Met de woorden, die al klonken bij de Doop in Matteus 3 'Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.' Maar de toevoeging is hier van belang: 'luister naar hem!' (vers 5). Hiermee zetten de evangelisten Jezus neer als de nieuwe Mozes. In Deuteronomium 18,15 zegt Mozes tot het volk, dat God profeten zal sturen om het volk te leiden en zij moeten naar hun woorden luisteren. En op deze berg worden deze leerlingen samengebracht met Mozes (de wet) en met Elia (de profeten). En Petrus bemerkt de bijzonderheid van dit moment en wil dat vasthouden. Laten we tenten opslaan nu we Mozes en Elia terug op aarde hebben, in de wetenschap dat het Israël van die dagen geloofde, dat Mozes en Elia niet gewoon gestorven waren, maar opgenomen bij God. Ook nu wordt duidelijk, net als vorige week, dat het gaat om vertrouwen op dat wat Mozes en Elia gezegd hebben. Zij hebben God aan het volk getoond door zijn woorden te spreken. Daarmee ging God nog steeds schuil achter de wolken. In Jezus horen de leerlingen niet alleen de oproep Gods woorden te horen, maar zien ze in Jezus zelf Gods aanwezigheid in die woorden oplichten. De wolk brengt nu niet meer afstand, maar verbindt Gods wet en profetieën aan Jezus.

 

Zondag 19 maart 3e zondag van de veertigdagentijd
Exodus 17, 1-7
Johannes 4, 5-26 (- 42)
RK: Exodus 17, 3-7 en Johannes 4, 5-42

Vooroordelen en verwijten. Onjuiste stemmen in ons hoofd en uit onze mond, ze kunnen de ontmoeting lelijk in de weg zitten. De woordenstroom komt tot stilstand en droogt op. Stilstaand water, dat op den duur gaat stinken. De sfeer is verziekt, de put komt droog te staan. In de lezingen van vandaag lijken de gesprekken moeilijk op gang te houden als ze worden omgeven door vooroordelen en verwijten. En dat op zondag Oculi (mijn ogen zijn gericht). Wat zien wij in de ontmoeting tussen Mozes en het volk, wat zien wij werkelijk in ontmoeting tussen Jezus en de vrouw. Allereerst zijn de angsten in de ogen tegenovergesteld. Mozes is bang voor steniging door het volk, de Samaritaanse vrouw riskeert steniging (Leviticus 20,10) vanwege het vermeende overspel. En zo zijn er nog wel meer parallellen te trekken. Water, dat wat leven mogelijk maakt, is de aanleiding voor de ontmoeting of confrontatie. De vraag naar het juiste aanbidden van God, want daarover verschilden Samaritanen en Joden van mening. Maar ook Mozes en het volk zagen dat volstrekt anders. Maar het belangrijkste verschil tussen de twee verhalen: Mozes en het volk: hun gesprek is opgedroogd en vervuld van bitterheid. Jezus gaat juist het gesprek met de Samaritaanse aan, waardoor het levenswater weer gaat stromen. De put uit Johannes 4 is een bijzondere ontmoetingsplek. Een Samaritaanse, met een dubieuze reputatie, die op het heetst van de dag, zich alleen bij de bron meldt en zich door Jezus laat aanspreken. Jezus alleen (waar zijn zijn leerlingen heen?), waarvan gezegd wordt, dat hij door Samaria moest reizen, terwijl Joden het liefst met een grote boog eromheen zouden trekken. Te midden van alles wat wij van zo'n ontmoeting tussen deze mensen zouden vinden, zegt Jezus: 'Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.' Het leven van de vrouw zat vast. Niemand keek haar meer aan. Iedereen had een oordeel over haar. Haar leven was als een opgedroogde bron. Het woord 'bron' kan hier ook vertaald worden met bron van stilstaand water. Put is dan wel een passende vertaling. Ooit was er in deze put stromend water, maar dat is stil komen te staan. Net als het leven van deze vrouw. Ooit was haar leven sprankelend, nu al lange tijd niet meer. Jezus reikt haar een leven aan waarin die sprankeling weer terug kan komen. Zij is door Jezus gezien. Zij kan weer ten volle leven.

 

Zondag 26 maart 4e zondag van de veertigdagentijd
1 Samuël 16, 1-13
Johannes 9,1-13.26-39
RK: 1 Samuël 16, 1b.6-7. 10-13a en Johannes 9, 1-41

In de lezingen van vorige week ging het om gezien worden te midden van vooroordelen en verwijten. Vandaag twee lezingen die letterlijk om gezien worden draaien. De vraag die uit de lezingen opkomt, is: wat zien wij eigenlijk? Wat nemen wij waar? God heeft gesproken (vers 4, het woord 'dabar' in het Hebreeuws is woord en daad ineen) en Samuël komt in beweging. Samuël gaat Bethlehem binnen met een offerdier en de oudsten zien dit als een mogelijk slecht teken (letterlijk: is uw komst in vrede?). Eenmaal aan tafel krijgt Samuël de opdracht van God verder te kijken dan wat hij feitelijk waarneemt. Ga niet af op grootsheid of status, maar zie het onderliggende hart aan. Zo komt Samuël uiteindelijk bij David uit, de jongen die te min was om van het veld geplukt te worden en bij het offermaal aan te schuiven. God kijkt voorbij het uiterlijk. En ook Jezus houdt zich daar niet mee bezig. Jezus ziet op sabbat een blinde man, zoals Jezus ook Zacheüs in de boom opmerkte. Het lijkt er bij Johannes op alsof het er vooral om gaat dat Jezus hem gezien heeft. Vervolgens ontstaat het gesprek over wat de leerlingen in de blinde man gezien hebben. Zij hebben in zijn blindheid zonde gezien (Genesis 19,11) en komen dan met hun speculaties. Wiens schuld is dat bij iemand die al zijn hele leven blind is? Eigen schuld of schuld van de ouders? Wat volgt is een scheppingsdaad van Jezus. Uit nacht en dag, uit aarde en water, laat hij de man opnieuw geboren worden. Waar de leerlingen verharden in hun opvattingen en redeneringen, kijkt Jezus daar aan voorbij en ziet het verlangen naar licht in deze man. In het gesprek dat volgt (26-39) tussen de genezen man en de Joodse leiders wordt pas echt duidelijk hoe beperkt het zicht is. 'Wat vreemd dat u niet begrijpt waar Jezus vandaan komt, terwijl hij mij de ogen heeft geopend.' Met andere woorden: ziet u dan niet wat er gebeurd is? Juist daaraan waren de leiders al gaan twijfelen en hebben zijn ouders erbij gevraagd (vers 19-20) om zijn blindheid te bevestigen. Maar voor de blinde man staat als een paal boven water dat de leiders het niet willen zien. Als hij zelf zich bij Jezus meldt, wordt het hart van de man zichtbaar: 'Ik geloof, Heer' (vers 38).

 

Zondag 2 april 5e zondag van de veertigdagentijd
Ezechiël 37, 1-14
Johannes 11, 1-4.17-44
RK: Ezechiël 37, 12-14 en Johannes 11, 1-45

In deze lange evangelielezing zien we veel van de thema's van de laatste weken samenkomen. Geloof en twijfel over Jezus' macht. Gesprekken die langs elkaar heen lopen. Ziende blind en horende doof. Waarom kwam Jezus niet eerder? Alleen de leerlingen horen in vers 4 waarom: deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God. Maar in Betanië vraagt men zich af waarom Jezus niet eerder kwam. Drie maal wordt de vraag expliciet gesteld, door Marta (vers 21), Maria (vers 32) en de omstanders (vers 37). En daartussendoor zegt Jezus: 'Ik ben de opstanding en het leven. Geloof en de doden zullen leven en de levenden zullen niet meer sterven.' En bij Maria legt Jezus helemaal niets uit, maar hij raakt geëmotioneerd. Er wordt veel gehuild in dit gedeelte en terecht: de dood maakt scheiding in dit leven. Tranen om wat gemist wordt, tranen ook om de vraag waarom iemand niet nog langer in hun midden mocht zijn. En hier bij Jezus klinkt zelfs een verwijt: als hij blinden de ogen kan openen, waarom kwam hij dan niet eerder of greep hij niet eerder in? Het is de vraag die veel mensen bij tijd en wijle ook bezig kan houden. De mensen zien Jezus huilen: 'Hij hield echt van hem.' 'Maar waarom deed hij dan niets', vragen anderen. Weer welt in Jezus de woede op als hij hoort hoe zijn liefde of macht in twijfel worden getrokken en tegenover elkaar worden gezet. 'Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien', zegt Jezus. Huilt God mee in het lijden van mensen? Ook het Oude Testament geeft daar al voorbeelden van. Kan God er dan niets aan doen? Die conclusie klopt niet. Jezus geeft niet de theorie, hij laat zien wie hij is en hoe God is. Wat de mensen doen kunnen, moeten ze doen: de steen weghalen en straks de dode uit de grafdoeken halen. Jezus roept met luide stem Lazarus naar buiten. In de andere evangeliën roept Jezus bij zijn eigen sterven. De doden horen zijn stem, zoals in het dal de dorre beenderen vlees krijgen en de adem krijgen ingeblazen. Nieuw leven, een voorafschaduwing van wat er met Pasen komen gaat. God begint een nieuw volk van mensen die voorbij de dood kunnen kijken. Maar wel een volk dat weet heeft van tranen en in Jezus de meelijdende Heer ziet.

 

Zondag 9 april 6e zondag van de veertigdagentijd
Jesaja 50, 4-7
Matteüs 21, 1-11
RK: Jesaja 50, 4-7 en Matteüs 26, 1-27,66

Zien we wel goed wat er gaande is? Dat zou je je kunnen afvragen bij deze twee lezingen. De bekende interpretatie van de intocht in Jeruzalem wordt wel tegen het licht gehouden. Jezus die Jeruzalem op twee(!) ezels binnen komt rijden. Hij wordt als een koning binnengehaald. Maar is hij ook de koning zoals men die graag ziet? Matteüs sluit aan bij de verhalen uit het Oude Testament over de intocht van de messiaanse koning, de rechtvaardige koning naar Gods hart (Psalm 72). De profetie uit Zacharia 9 'Vorst die op een ezel rijdt', ziet de menigte aan zich voorbijtrekken. En waar Zacharia spreekt over een jubelende menigte, zijn wij de woorden van psalm 118 'Hosanna. Gezegend hij die komt in de naam van de Heer,' ook zo gaan interpreteren. Hosanna klinkt voor ons als een feestelijk hoera, zoals de hele intocht feestelijk aandoet, met takken en blijde mensen. Gespreide mantels op de grond, een koning op een ezel. Maar Hosanna wil zeggen: Red ons! Het was de kreet die ook aan koningen werd toegeroepen. Blijdschap vanwege de nieuwe hoop en verwachting. De koning zal ons redden. Hij zal uitkomst brengen. En helemaal die koning, die ook nog eens komt in de naam van God. Zo komt Jezus binnen en even heeft men hoop dat er snel wat gaat veranderen. En daar heeft het ook de schijn van, want zodra Jezus de tempel bereikt, volgt er een grote veegpartij van het tempelplein. Maar deze koning moet snel het veld ruimen, zoals ook koning David Jeruzalem moest ontvluchten uit angst voor Absalom (2 Samuel 15,13 ev). Maar deze koning slaat niet op de vlucht. Door te blijven kan deze koning invulling geven aan de woorden die Jesaja 50 spreekt over de lijdende godsknecht. Deze koning doet wat goed is voor wie dat nodig hebben. Maar wie kwaad willen doen, ontwijkt hij niet. De bergrede, de grondwet van Gods koninkrijk, wordt hier aanwezig gesteld: keer de andere wang ook toe als je geslagen wordt. Red ons, Hosanna, maar langs de kant van de weg wordt nog niet zichtbaar waarvan. Pas in de komende stille week wordt gezien waarvan wij mensen gered moet worden.

 

Zondag 16 april 1e paasdag
Exodus 14, 9-14
Johannes 20,1-18
RK: Handelingen 20, 34a 37-43 en Johannes 20, 1-9

In de opstandingsverhalen van de evangeliën speelt Maria Magdalena een heel belangrijke rol. Zij is als vrouw(!) de eerste die getuige wordt van de opstanding! Bij Johannes is Maria wel het meest nadrukkelijk aanwezig, namelijk door haar gesprek met de Heer, die ze voor de tuinman aanziet. Vergeleken met de andere evangelisten richt Johannes alle aandacht allereerst op háár: zij is het die op de eerste dag van de week het graf van Jezus komt bezoeken. Johannes 20,1 wekt de indruk dat ze alleen gekomen is in tegenstelling tot de andere evangeliën. Alleen het meervoud in het volgende vers ('wij weten niet') verraadt mogelijk dat er nog anderen - vrouwen? - aanwezig waren. Maria brengt de goede boodschap (angellousa, ons woord engel zie je er in terug) van de opstanding aan de leerlingen over. Wat verder bij deze zondag opvalt, is de koppeling aan de lezing van het volk bij de Rietzee uit Exodus 14. Het volk laat Mozes haarfijn weten wat ze van de situatie vinden. Alsof er geen graven in Egypte waren, waar ze in terecht konden bij hun overlijden. Nu staan ze ingeklemd tussen de zee (symbool voor de dood) en de woestijn (idem). Mozes heeft de woorden van God goed onthouden (vers 3-4), dus ook dat dit niet het einde zal zijn van het volk. Nee, de doorgang door de Rietzee, de dood, markeert juist een nieuw begin. Ook dit graf blijft leeg. Althans voor de Israëlieten… de farao en zijn soldaten, zij zullen hier wel 'hun Waterloo' vinden. Maar wat nodig is, is het vertrouwen op de Heer. Vertrouwen dat de Heer zijn belofte gestand zal doen. Het beloofde land in zicht krijgen, de bevrijding, is niet een happy end van hun leven, het is het begin ervan. Vertrouwen ook dat het geen strijd is waar mensenhanden aan te pas komen, zoals vers 14 zegt: de Heer zal voor u strijden, u hoeft zelf niets te doen. Bevrijding heeft altijd de lastige betekenis van het aan jou plaatsvinden. Er zijn er maar weinigen die zichzelf kunnen bevrijden als een Houdini, de eigen ketenen kunnen losmaken. Of jezelf aan je haren uit het moeras trekken. Nee, bevrijding wordt geschonken door anderen die voor jou strijden, zoals in situaties van oorlog. Die overwinning die God behaalt over de farao, eenzelfde overwinning zien we terug op de vroege morgen in de tuin van het graf. Maria heeft het gezien, ze heeft haar Heer waargenomen, haar meester. Maar deze nieuwe Mozes zal niet verder met haar meetrekken, ze moet op eigen kracht verder. Houd mij niet vast, maar vertel van het lege graf. Het begin van de bevrijding en dat op een morgen die nog maar net begonnen is.

 

Zondag 23 april 2e van Pasen
Genesis 8, 6-16
Johannes 20, 19-23 (31)
RK: Handelingen 2, 42-47 en Johannes 20, 19 - 31

Het is avond. Ook op die eerste Paasdag, de dag waarop het opstandingslicht helder straalde, wordt het gewoon weer donker. Daarmee is Johannes volstrekt eerlijk over de uitdagingen waar het Paasevangelie ons voor stelt: de boodschap van licht wordt gehoord in een wereld waar nog altijd duisternis heerst en die boodschap moet worden verspreid onder mensen die misschien geen vertrouwen meer hebben in de dag van morgen. Toch is dat de kern: na elke avond komt de morgen. Zelfs als je je uit angst hebt verstopt achter dichte deuren, bang voor de wereld om je heen. De Opgestane laat zich door donker en deuren niet tegenhouden. Hij staat zomaar ineens in hun midden. Alsof er niets gebeurd is - geen verraad, geen verloochening - wenst hij hun vrede, zoals wij elkaar 'goedenavond' zouden wensen. Over wat er gebeurd is, is het laatste woord gezegd want het leed is geleden; de schuld is vergeven. Jezus laat zijn beschadigde lichaam zien. Dat zal op het netvlies van de leerlingen gebrand blijven. Misschien zullen zij ooit, als zij moeten lijden, aan dit moment terugdenken en dan weer weten dat lijden en dood niet het laatste woord hebben. Nooit meer. Op die eerste opstandingsdag vallen Pasen en Pinksteren samen want Jezus blaast zijn Geest over hen en stuurt hen er op uit: de deuren moeten open! Op dat moment worden de leerlingen toegerust voor hun taak: gezonden zijn zoals Jezus gezonden was. Wie wil weten wat hij moet doen, leest dus het evangelie nog een keer, en nog een keer. Wie handelt in de Geest van Jezus weet dat liefde de kern is van het samenleven van mensen. En wie liefheeft, weet te vergeven. De leerlingen krijgen de macht om mensen vergeving toe te zeggen; behalve aan de mensen die het leven met elkaar verstieren, dat is onvergefelijk.

 

Zondag 30 april 3e van Pasen
Jesaja 43, 1-2
Johannes 21, 1-14
RK: Handelingen 2, 14.22-33 en Lucas 24, 13-35

'Ik ga vissen', zegt Petrus. Dat was tenslotte zijn ambacht vóór hij besloot Jezus te volgen om mensenvisser te worden. Je zou kunnen zeggen: alles is weer zoals het was; alsof Jezus er nooit is geweest en het leven met hem geen enkele impact heeft gehad. Je zou evengoed kunnen zeggen: na Pasen gaat het leven van mensen gewoon verder. Het leven moet geleefd worden. Na Pasen zijn we niet terecht gekomen in een wereld waar alles goed en licht is. Er is werk aan de winkel, met alle frustraties en teleurstellingen die erbij horen. Waar mensen werken en samenleven, daar mogen zij het evangelie vertellen. Zeven is voldoende in dit verhaal. Drie leerlingen worden bij hun naam genoemd en daarmee herinneren wij ons onmiddellijk hoe zij beleden dat Jezus de zoon van God was. (resp Johannes 6, 69; 20, 28; 1, 49) De zonen van Zebedeus zijn Jacobus en Johannes. Zij maken de vijf vol. Vijf en twee, zoals de vijf broden en de twee vissen, die werden gedeeld bij het meer van Tiberias. (Joh 6, 1) De herinnering aan het genoeg hangt in de lucht en op die plaats vraagt Jezus: 'hebben jullie soms iets te eten?' Ook hier is hij het zelf die voorziet in brood en vis. Het zal zijn volgelingen aan niets ontbreken. Hij ís het brood en voor de eerste christenen was hij ook de vis: ICHTUS, Iesous Christos Theou Uios Soter, Jezus Christus zoon van God Redder. Na Pasen daagt Jezus zijn leerlingen uit het over een andere boeg te gooien. Hij toont hun een andere weg om te gaan wanneer hij niet meer onder hen zal zijn. Door te luisteren en te vertrouwen krijgen ze de vangst van hun leven. Het doet denken aan de woorden van Maria tegen de bedienden op de bruiloft: 'Doe maar wat hij jullie zegt'. We horen ook Jezus' eigen woorden: 'als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden.' Zo blijft Jezus levendig in ons midden en zo zal de wereld weten wie hij is.

 

Zondag 7 mei 4e van Pasen
Nehemia 9, 6-15
Johannes 10, 1-10
RK: Handelingen 2, 14a, 36-41 en Johannes 10, 1-10

De herder is de Bijbelse leider bij uitstek. Hij kan het gevaar van leeuwen en beren aan en is bereid zich met lijf en ziel in te zetten voor de schapen die aan zijn verantwoordelijkheid zijn toevertrouwd. Het zal niet voor niets zijn dat de Eeuwige herders als Mozes en David uitkoos om de leiding over het volk te hebben. God zélf zal herderen over zijn volk. (Jesaja 40,11) en zo wil ook Jezus herder zijn. Hij geeft zijn leven voor de schapen. Een góede herder is hij, in tegenstelling tot diegenen die de leiding hebben over het volk. Jezus levert met zijn woorden kritiek op de Farizeeën. Zij jaagden de man die door Jezus van blindheid was genezen de tempel uit. Voor deze man was het duidelijk dat Jezus een van God gezondene was, maar de leiders van het volk sloten daar hun ogen voor. Herder Jezus onderscheidt zich van andere herders omdat hij de schapen bij hun naam kent. De schapen herkennen zijn stem en volgen hem. Er is een basis van vertrouwen die ontbreekt bij vreemden, bij dieven en rovers. Dit lijkt duidelijk genoeg, maar de leerlingen begrijpen niet wat hij bedoelt. Daarom legt Jezus het nog een keer uit, in 7-10. En nog een keer, in 11-18, zodat ze zullen begrijpen dat hij op een andere manier verantwoordelijkheid zal dragen voor de mensen. Hij diskwalificeert niet alleen de andere leiders maar hij kwalificeert ook zichzelf als de Zoon van de Vader. Met 'ik ben de deur' roept Jezus in herinnering dat God zich openbaarde met de naam 'ik ben'. Nu wordt hij openbaar in Jezus. Jezus is de deur. Hij geeft toegang tot… de Vader. De verbindende schakel tussen de Vader en de Zoon is de Tora. Daarom moeten schapen niet alleen veilig binnen de kooi blijven maar moeten ze ook naar buiten. Om in de praktijk te brengen wat Jezus hun heeft voorgeleefd.

 

Zondag 14 mei 5e van Pasen
Deuteronomium 5, 20-25
Johannes 14, 1-14
RK: Handelingen 6, 1-7 en Johannes 14, 1-12

We vallen midden in een lange toespraak van Jezus. Die toespraak begon in Johannes 13,31 en zal pas eindigen in 17, 26. Al die tijd zitten Jezus en zijn leerlingen aan tafel. Jezus spreekt met hen over het naderende afscheid. Daar zijn ze nog niet aan toe en hun ongerustheid groeit. 'Waar gaat u naartoe, Heer?' en 'Waarom kan ik u niet volgen?' Het beangstigt hen dat zij zo snel al zullen worden losgelaten om te gaan doen wat Jezus hun heeft opgedragen: elkaar liefhebben in zijn naam. Als de leerlingen, die toch drie jaar lang intensief mochten optrekken met Jezus, het al moeilijk vinden om te vertrouwen, dan hoeven we het onszelf niet kwalijk te nemen als wij dat moeilijk vinden. Ook bij ons liggen de vragen naar waarheen en waartoe soms voor in de mond en we zouden evenals Filippus ook wel eens iets van God willen merken. Dan gelden Jezus' woorden ook voor ons: wees niet ongerust, maar vertrouw. De woorden van Jezus zijn niet makkelijk te begrijpen, maar al lezend en herlezend ontdekken we dat de innige verbondenheid van de Vader en de Zoon steeds terugkomt. Zij zijn bijna niet te (onder)scheiden. Ken je de liefde van de een, dan ook die van de ander. En andersom. Via Jezus leer je God kennen. Hij is de weg. Een levensweg die gemarkeerd wordt door liefde, goedheid, waarheid, vriendschap, levenskunst. Dichterbij God, dan over deze weg, kun je niet komen. We hoeven ons niet af te vragen waarheen de weg van de liefde leidt en of wij ons doel zullen bereiken. Die weg gaan, zoals Jezus deed, daar gaat het om. Het is niet eenvoudig maar gaandeweg leren de leerlingen dat deze weg leidt naar de Vader. Hij wordt zichtbaar in hun manier van doen. Want, ubi caritas et amor, Deus ibi est. (Daar waar liefde heerst en vrede, daar is God met ons) De eerste christenen werden 'de mensen van de Weg' genoemd. (Handelingen 9, 2) Dat geeft de basis aan waarnaar zij steeds terug kunnen keren: Jezus. Het geeft ook aan dat wie gelooft, in beweging is. Alleen gaandeweg kun je vorm geven aan wat je gelooft. Er is bovendien niemand gebaat bij vastgeroeste zekerheden. En het mag ergens toe leiden. Naar dat huis met vele kamers; naar de plaats die wordt gereedgemaakt.

 

Zondag 21 mei 6e van Pasen
Jesaja 41, 17-20
Johannes 16, 16-24
RK: Handelingen 8, 5-8 en 14-17, en Johannes 14, 15- 21

We zitten nog steeds aan tafel met Jezus en zijn leerlingen, middenin de afscheidswoorden van Jezus. Langzamerhand beginnen zij te begrijpen dat het onvermijdelijk is dat Jezus van hen heen zal gaan. Wat ze nog niet kunnen bevatten is dat het ook ergens heen zal gaan; dat Jezus' dood niet de ramp is die zij er in zien maar dat het naar de Vader leidt. Het gesprek is niet langer centraal als een paar leerlingen hun vragen bij dit alles met elkaar bespreken. Jezus ziet hun verwarring en trekt het gesprek met 'amen, amen' nadrukkelijk weer naar zich toe: 'je zult huilen en weeklagen, terwijl de wereld blij zal zijn.' Kenmerkend voor Johannes zijn de tegenstellingen en de wereld komt er nooit zo goed af. Daar is de duisternis; daar zijn de mensen die hem niet wilden ontvangen. (zie hoofdstuk 1) Die wereld zal tevreden zijn als zij af is van Jezus: met zoveel liefde en goedheid kon zij niet uit de voeten. De wereld zal ook de vijandige leefomgeving zijn van de leerlingen. (15,18) Zij zullen het zwaar krijgen, als een moeder die zwoegt om haar kind op de wereld te zetten. Johannes leent dit beeld van de profeten voor hem. Zie bijvoorbeeld Jesaja 26, 17, 66,7 en Micha 4,9. Barensnood is van voorbijgaande aard. Zo zal ook de pijn die de leerlingen moeten doorstaan vergeten zijn als zij Jezus zullen terugzien. Het betekent niet alleen dat de pijn voorbij gaat en plaats maakt voor vreugde. Het betekent zelfs dat de pijn de vreugde voortbrengt. Zo wil Johannes ook vertellen over Jezus' dood. Anders dan bij de andere evangelisten is de dood aan het kruis geen dieptepunt maar voorwaarde voor Jezus' verheerlijking. Daar wordt zijn koningschap zichtbaar. Afgaan is opgaan. Vooruitlopend op zijn verhoging zegt Jezus zijn leerlingen toe dat zij in zijn naam alles kunnen vragen. Tot nu toe is hij bij hen op aarde. Daar waar gebeden wordt. Straks zal hij in de hemel zijn. Daar waar de gebeden worden verhoord.

 

Zondag 28 mei 7e van Pasen
Ezechiël 39, 21 - 29
Johannes 17, 1-13
RK: Handelingen 1,12-14 en Johannes 17, 1-11a

'Nu is de tijd gekomen', herhaalt Johannes 13,2 en het geeft de woorden van Jezus extra lading en urgentie. Hij moet gaan; hij gaat hen loslaten. Maar eerst wil hij voor hen bidden. Dit gebed wordt ook wel het hogepriesterlijk gebed genoemd. Jezus bidt echter niet op de toon van een hogepriester maar met de vertrouwelijkheid van een zoon tot zijn vader. Niets liever wil Jezus dan dat zijn leerlingen ook deel hebben aan de betekenisvolle band met de Vader en hij houdt een vurig pleidooi voor hen. Zij blijven immers achter in de wereld, een vijandige wereld. Laat God hen bewaren en over hen waken, zoals Jezus dat tot dan toe heeft gedaan. Het lijkt wel een 'voor wat hoort wat' als Jezus de Vader voorhoudt dat het vooral zíjn mensen zijn en dat Jezus hen in de tijd dat hij bij hen was Gods woorden heeft doorgegeven. Nu zij die woorden hebben aanvaard, legt Jezus de verantwoordelijkheid en zorg om hen weer terug bij God. Hij bidt om eenheid voor hen. Misschien is het wel zo dat Johannes met Jezus mee bidt, om eenheid in zijn eigen gemeente. In die eerste eeuw was er verdeeldheid tussen gemeenteleden met een joodse achtergrond en hen die van buitenaf bij de gemeente waren gekomen. Wat dat betreft is er niets nieuws op het kerkelijk erf; maar laten we zoeken naar wat ons bindt en niet strijden over wat ons onderscheidt. We kunnen Jezus' bezorgdheid om de mensen die hij moet achterlaten begrijpen. Anders is dat met de voorbede dat zij het eeuwige leven zullen ontvangen. Wat bedoelt Jezus daarmee? Hij wil hen toch niet sussen met een sprookjeseinde 'zij leefden nog lang en gelukkig', terwijl het leven voor velen zoveel teleurstellingen brengt? Hij bedoelt toch ook niet dat zij maar stilletjes af hoeven wachten tot het beter wordt? Zo spreken over eeuwig leven levert voor de wereld van vandaag niets op. We horen Jezus in het Johannesevangelie vele malen spreken over het eeuwige leven maar nooit over toekomstmuziek. We hoeven niet op het eeuwige leven te wachten, het is al begonnen en het heeft alles te maken met de kwaliteit van ons leven. Eeuwig leven is liefdevol leven en het begint waar men de woorden van de Zoon aanneemt als het woord van de Vader. (zie o.a. hoofdstuk 5, 24) In Jezus' gebed drukt hij de Vader de mensen op het hart en draagt hij hen op aan elkaar.

 

Zondag 4 juni Pinksteren
Handelingen 2,1-24
Johannes 14, 23-29
RK: Handelingen 2, 1-11 en Johannes 20, 10-23

Vlak voor Jezus van de apostelen wegging en in de hemel werd opgenomen, drukte hij hen op het hart om bij elkaar te blijven in Jeruzalem en daar te wachten tot de belofte waarover hij met hen gesproken had in vervulling zou gaan. (Zie Lucas 24, 49 en Handelingen 1, 4) Zij zullen worden gedoopt met de heilige Geest. Tot dit moment zijn de apostelen bij elkaar gebleven en hebben zij misschien wel met elkaar, maar niet met anderen, gesproken over Jezus' opstanding. (Pas) Op het pinksterfeest krijgt dat goede nieuws vleugels in de vurige toespraak van Petrus. Eerst is er het geluid van een windvlaag. Dan verschijnen aan de apostelen een soort vlammen: vuurtongen. Wind en vuur zijn de tekens van Gods aanwezigheid en van zijn scheppende kracht. Het wordt pas wat met de aarde als Gods wind gaat waaien en de mens komt alleen tot leven door zijn adem. Lees Genesis 1 en 2 er maar op na. Vanaf het begin is Gods Geest verbonden met het leven van mensen op aarde en met de dingen waartoe zij in staat zijn. Zo wordt onder andere van Jozef, Mozes en Jozua gezegd dat de Geest van God op hen rust. Zonder die Geest is alles doods. (Ez 37) Wij zien het plaatje voor ons van de apostelen met een vlammetje boven hun hoofd, maar eigenlijk is er meer te horen dan te zien. Vuurtongen krijgen ze! Het vermogen om vol vuur te vertellen; hun mond zal overlopen met het warme pleidooi voor het nieuwe leven in Christus. Vanaf nu mag het goede nieuws van de opstanding als een lopend vuurtje rondgaan en aanstekelijk zijn. Het gaat niet zozeer om de woorden die de apostelen spreken. Iedereen verstaat hun enthousiasme. En zoals vuur geen verdeeldheid kent, zo is men op dat moment ook even een. Op Pinksteren vieren we dat Gods belofte, zijn woord waar we hem aan mogen houden, ons in de mond is gelegd. Om door te geven.

 

Zondag 11 juni Trinitatis
Exodus 34, 4-9
Matteüs 28,16-20
RK: Exodus 34, 4b-6. 8-9 en Johannes 3, 16-18

De Opgestane Heer had de opdracht gegeven om naar Galilea te gaan; terug naar waar de leerlingen geroepen waren en waar zij getuige waren geweest van Jezus' woorden en daden. Waar anders zullen zij hem ontmoeten dan op een berg. Geen berg die je op kunt zoeken in een atlas maar een bijbelse berg, een plaats voor de hoge ontmoeting tussen God en mensen, hoogtepunt voor wie geloven. Het is de berg van de Bergrede waar Jezus woorden gaf die richting gaven, zoals Mozes die ontving. Op een berg! Het is de berg waar Jezus' heerlijkheid zichtbaar werd, zoals God zich openbaarde op een berg aan Mozes, aan Elia. Het doet bovendien denken aan de berg waar de duivel Jezus alle koninkrijken van de wereld liet zien. Jezus kon het allemaal krijgen als hij zich neerboog voor de duivel maar Jezus was gehoorzaam aan zijn roeping en jaagde de duivel weg. De woorden die Jezus spreekt 'mij is alle macht gegeven..' zijn niet nieuw maar komen uit het visioen van Daniël over de komst van de Mensenzoon en het aanbreken van de tijd van God. Het is voor Matteüs zo duidelijk dat Jezus de verwachte Mensenzoon is dat hij op die oude droom teruggrijpt om te vertellen dat aan Jezus alle macht gegeven is. Het geeft zijn evangelie ook een soort urgentie mee: het gaat over de laatste dingen; over de voleinding van de wereld. Lees ook de hoofdstukken 24 en 25 nog eens na. Vanuit die urgentie worden de leerlingen op weg gestuurd om alle volken tot leerling te maken en de mensen te dopen. Leren en gedoopt worden, gedoopt worden en leren, zijn onlosmakelijk verbonden. Als wij onze kinderen ten doop houden, is dat een onvoorwaardelijk teken van Gods liefde maar zij zullen pas begrijpen wat dat betekent als wij hun dat ook leren. Matteüs had die mensen op het oog die zich voorbereiden op de doop door te leren om vervolgens in de paasnacht gedoopt te worden. Voor hen begint nieuw leven. Zij hoeven niet bang te zijn voor wat er op hen afkomt want Jezus zal bij hen zijn alle dagen, zoals God bij zijn volk was. (zie o.a. Ex 3,12 en Jesaja 41,10) Baby Jezus is uiteindelijk in zijn naam gegroeid: Immanuel. (Mt 1. 23) Zoals het was begonnen, zo zal het eindigen. Alleen maakt Matteüs de belofte wijder: het kind dat geboren werd om Israël te bevrijden is de bevrijder van alle volken op aarde.

 

terug naar start