Theologische toelichting

Wim Barnard (Zeist) heeft de afgelopen decennia voor Bonnefooi (eerst het Westhillblad) de theologische toelichtingen gemaakt voor iedere zondag, die uitgangspunt waren bij het maken van het materiaal: verhalen, bijbelse navertelling, werkvormen, gebeden en liederen voor de kinderdienst. Met ingang van zomer 2007 is dat overgenomen door drs. Anna Zegwaard (Apeldoorn) en dr. Evert van Leersum (Barneveld), die de lijn van de toelichtingen doorzetten, maar daar wel hun eigen exegese- en taalkleur aan meegeven. Beiden, als ook de redactie van Bonnefooi, zouden het op prijs stellen als wij van de gebruikers een reactie zouden krijgen op de ervaring met deze nieuwe toelichtingen. U kunt deze zenden aan info@kinderdienst.nl.

 

Oecumenisch leesrooster

 

Uit de bijbel

Zondag 17 juni 2018
Ezechiël 17, 22-24
Marcus 4, 26-34
RK: Ezechiël 17, 22-24 en Marcus 4, 26-34
In de bijbel is de boom vaak symbool voor water in de grond, voor schaduw en rust. Op de woestijnreis van de Joden was de wijnstok het ideaalbeeld van het beloofde land. Dat zou betekenen een vaste woonplaats en rust, aanwezigheid van grondwater en schaduw, en dorstlessende wijn als vrucht van de wijnstok in plaats van verontreinigd water. Een land van belofte; een beeld van een boom dat uitgroeit tot de gedachte van het Koninkrijk van God. In het evangelie wordt de 'mosterdboom' genoemd als voorbeeld voor het Koninkrijk van God, waarvan de omvang in geen verhouding staat tot de nietigheid van het zaad. Al in het begin van dit bijbelgedeelte wordt er gewezen op een samenhang tussen het Koninkrijk en de mens. Door diens toedoen begint het, en uiteindelijk mag hij er de vruchten van plukken. Maar wat er gebeurt in die tussenperiode, tussen zaaien en oogsten, slapen en opstaan, dag en nacht, wordt beschreven als een geheimenis. De groei van het Koninkrijk, het werk dat God doet om zijn Koningschap op de wereld te vestigen, onttrekt zich aan ons begrijpen en arbeiden. Er is kiemkracht in het zaad, waardoor het lijktalsof de groei 'vanzelf' gaat, zegt Jezus, en in het Grieks staat er dan 'automatè'; we zouden haast zeggen: automatisch! Zo gaat het toe met Gods plannen in de wereld. Schijnbaar gebeurt er niets en lijkt het werk van de mens vruchteloos. Maar laat je niet ontmoedigen, wil het verhaal zeggen. Zien, soms even - want je mag een gerechtvaardigde verwachting hebben van het Koninkrijk van God. Sterker nog: in Ezechiël staat er dat, als het helemaal niet gaat met het land en het volk, 'de Heer zelf een twijgje van de ceder zal nemen en het zal planten op een hoge en verheven berg van Israël. En het zal uitgroeien tot een prachtige ceder, waaronder vogels van allerlei pluimage zullen wonen. En alle bomen zullen weten, ook de sappige, dat ik een dorre boom heb doen uitspruiten! Ik, de Heer heb het gesproken en zal het doen!'

 

Zondag 24 juni 2018
Job 30, 15-26; 38, 1
Marcus 4, 35-41
RK: Job 38, 1; 8-11 en Marcus 4, 35-41
Het verhaal begint met een uitnodiging van Jezus: 'Laten we het meer oversteken' (NBV). Maar dat is een wel erg vlakke vertaling van zijn woorden. Andere vertalingen geven hier dat ze naar de overkant varen. En daar klinkt iets in door van gene zijde, van een andere werkelijkheid waarmee we ons verbonden weten. Zoals in het bekende gedicht van Martinus Nijhof: 'Ik ging naar Bommel om de brug te zien./ Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden/ die elkaar vroeger schenen te vermijden/ worden weer buren.' Of zoals in het kinderversje: 'Wie gaat ermee naar engelenland varen.' Ze steken niet het meer over, maar de levenszee. Het gaat om de mogelijkheden en onmogelijkheden om te geloven. Om in dit leven en deze tijd uitzicht te blijven houden op de overzijde, op het Koninkrijk dat komt. In die worsteling van ons lijkt het dan maar al te vaak of God ligt te slapen. Of het Hem niets kan schelen wat ons overkomt. Of Hij onverschillig blijft dat de schepping in doodsstrijd verkeert. Zo vertelt Marcus ons dat de Heer ligt te slapen. Maar als hij is opgewekt (een betere vertaling dan 'wakker is geworden') spreekt hij de wind bestraffend toe en zegt tegen de zee: 'Zwijg! Wees stil.' De macht van de dood en het kwaad is eens en voor al gebroken. Omdat het Pasen is geworden. Maar de leerlingen weten dat nog niet. Ze hebben inderdaad nog te weinig geloof. Eerst zal Jezus als een nieuwe Jona, die immers ook lag te slapen op het achterdek, nog overboord moeten, om hen nieuwe moed te geven. Dan gaan ze het verstaan. Nu nog niet. Nu zijn ze alleen nog maar ontzet. Maar in die ontzetting kondigt hun bevrijding zich al aan.

 

Zondag 1 juli 2018
Jesaja 3, 25-4,6
Marcus 5, 22-43
RK: Wijsheid 1, 13-15; 2, 23-24 en Marcus 5, 21-43
Twee verhalen die Marcus door elkaar heen vertelt en die op het eerste gehoor weinig met elkaar te maken hebben. De vrouw die hem onverhoeds aanraakt, zou dat op elk moment hebben kunnen doen, wanneer Jezus omringd wordt door de menigte. Maar Marcus vertelt het hier: wanneer Jezus op weg is naar het huis van Jaïrus en hij door dit oponthoud ogenschijnlijk te laat komt. Laten we beide verhalen eerst ontrafelen om ze dan weer te verbinden. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedingen lijdt, staat symbool voor de mens die haar vruchtbaarheid als een vloek is gaan beschouwen. Zij heeft veel te geven, maar ervaart dat als een last. Want zij moet ook voortdurend geven en zorgen en aan anderen denken zonder er zelf iets voor terug te ontvangen. Uiteindelijk is er niets van haar zelf overgebleven. Haar bestaan is doodgebloed. Wanneer zij dan toch haar hand uitsteekt om iets voor zichzelf te vragen, kan dat niet onopgemerkt blijven. Jezus moet haar daad aan het licht brengen, om haar zelf aan het licht te brengen als de mens vol talenten, die zij is. Het dochtertje van Jaïrus is met haar twaalf jaar nog geen vrouw en ze krijgt de kans ook niet om vruchtbaar in het leven te staan, omdat de dood ertussen komt. Haar mogelijkheden worden bij voorbaat in de knop gebroken. Daardoor kan zij eveneens niet uitgroeien tot een zegenrijk bestaan. Die twee hebben zo toch iets met elkaar te maken. De zee aan mogelijkheden die het leven biedt, kan ons angstig maken zodat we er maar liever niet aan beginnen. We begraven ons talent uit vrees het leven te verpesten. De vrouw die Jezus onderweg tegenkomt, is de vrouw die het dochtertje van Jaïrus vreest te worden. Dat nooit. Nog liever een doods bestaan dan een mislukt leven. Maar ook hier weet Jezus de goede toon te vinden om het leven voor haar te openen.

 

Zondag 8 juli 2018
Ezechiël 2, 1-7
Marcus 6, 1-6a
RK: Ezechiël 2, 2-5 en Marcus 6, 1-6

Jezus keert terug naar huis. Hij gaat naar zijn vaderstad. Maar daar kennen ze hem te goed, om iets van hem aan te nemen. Ze zijn zo vertrouwd met zijn achtergrond dat ze zijn toekomst niet kunnen zien. Ze staan er te dicht op om het wonder te kunnen zien. Dat gevaar bedreigt voortdurend de mensen om Jezus heen. Dus ook de kerk. We kunnen zo vertrouwd met de Heer zijn, dat we al denken te weten wat hij gaat zeggen en doen. De verrassing is eraf en het evangelie verliest zijn frisheid. Het wordt weer het oude liedje. En dat is eerder de wet die we elkaar opleggen en de maat die we elkaar nemen, dan het bevrijdende woord van God Daarom is het zaak hier op de leerlingen te letten. Er staat dat Jezus naar zijn vaderstad gaat en de leerlingen hem volgen. Er zit zo afstand tussen die twee. Eerst is er Jezus die ergens heen gaat. Dan is er de vraag of wij hem daar kunnen volgen. Indachtig het bekende lied uit Iona O waar wil je heengaan En kan ik je volgen? Het is soms goed om niet samen te reizen. We zouden Jezus nog gaan beschouwen als het vaandel voor onze goede zaak. Als de vlag op onze modderschuit. Nee, eerst is er de Heer. En de leerlingen volgen hem. Ze hebben hem niet in hun bezit. De Heer gaat zijn eigen weg.

 

Zondag 15 juli 2018
Jesaja 52, 1-6
Marcus 6, 6b-13
RK: Amos 7, 12-15 en Marcus 6, 7-13
Het hart van Jezus' missie is het goede nieuws verkondigen dat Gods koninkrijk dichterbij komt en de oproep dat mensen tot inkeer komen om er deel aan te hebben. (Marcus 1, 15) Het koninkrijk is nabij. Dat maakt de noodzaak groter om het overal te gaan vertellen. Kan Jezus dat wel alleen? Hij belast zijn leerlingen met de opdracht om het goede nieuws overal te gaan vertellen. Twee aan twee; want twee weten meer dan een. Twee is veiliger dan een, zowel voor de boodschap als voor de boodschapper. En wie zal geen geloof hechten aan het getuigenis van twee? Jezus geeft hen macht over de onreine geesten. Dat behelst veel meer dan het genezen van een gewonde ziel. Het verdwijnen van onreine geesten, die mensen bezeten maken, is een teken van het aanbreken van Gods koninkrijk. Er is zoveel dat mensen bezet kan houden, boze gedachten over elkaar, gekmakende gedachten over zichzelf, angst voor de dag van morgen… Jezus heeft de macht om mensen daarvan te bevrijden. Zijn leerlingen delen in die macht. Bijna symbolisch voor de vrijheid die zij mogen verkondigen wordt de leerlingen opgedragen zich ook vrij te bewegen. Niet gehinderd door al te veel bagage of de zorg om geld maar vertrouwend op de gastvrijheid van mensen kunnen zij zich helemaal richten op hun taak. Het is ook een mooie les in Godsvertrouwen. Het goede nieuws dat ze brengen zal zeker op weerstand stuiten. Niet iedereen zal willen horen dat hij tot inkeer moet komen. Niet iedereen zal de moed hebben om nieuwe wegen in te slaan. Ook daarin mogen de leerlingen zich vrij bewegen. Ze zijn niet afhankelijk van de goedkeuring of waardering van de mensen die ze ontmoeten. Als ze ergens niet welkom zijn en de mensen niet naar hen willen luisteren, mogen ze vertrekken en het stof van hun schoenen schudden. Het was gewoonte om dat te doen als Joden niet-Joods gebied verlieten. Zij schudden de heidense stof af. Zo hoeven de leerlingen zich niets aan te trekken van onvriendelijke mensen en ze hoeven het niet mee te dragen als last. Daar gaan ze. Twee aan twee, ongehinderd. Want het goede nieuws van Gods koninkrijk moet overal naar toe.

 

Zondag 22 juli 2018
Jeremia 23, 1-6
Marcus 6, 30-44
RK: Jeremia 23, 1-6 en Marcus 6, 30-34

De twaalf leerlingen zijn teruggekeerd. 'Apostelen' worden ze genoemd. 'Gezondenen', mensen met een missie. Maar wie zich geroepen voelt voor anderen te zorgen, moet ook goed voor zichzelf zorgen. Daarom neemt Jezus hen mee om tot zichzelf te komen. Helaas krijgen ze maar weinig tijd om op te ademen. De menigte volgt hen. Jezus overziet hen vol medelijden, want, zegt Marcus met een Bijbels beeld, ze leken op schapen zonder herder. Lees bijvoorbeeld Numeri 27, 17 of Ezechiël 34, 5. Gods mensen zijn hulpeloos zonder leiding en richting nodig en Jezus geeft die. Hij neemt uitgebreid de tijd om hen te onderwijzen. Maar van geestelijk voedsel alleen kan een mens niet leven. De leerlingen dringen er op aan dat Jezus de mensen wegstuurt zodat ze eten kunnen gaan kopen. Maar Jezus zegt: 'Geven jullie hun maar te eten.' Wat dan volgt is misschien wel de samenvatting van datgene waarover Jezus hen langdurig onderwees: delen is vermenigvuldigen en: bij God is voor iedereen genoeg. In het groene gras, dat rijmt op de groene weiden waar het een mens aan niets ontbreekt (Psalm 23) ontbreekt het aan niets. Vijf broden en twee vissen zijn genoeg. Er is zelfs over. Oude verhalen klinken mee in wat Marcus vertelt; over het brood uit de hemel, genoeg voor elke nieuwe dag (Exodus 16); over Elisa die honderd profeten te eten geeft. Zijn bediende sputtert dat er veel te weinig brood is, maar er is genoeg en zelfs over. (2 Koningen 4, 42) Er klinkt ook al een nieuw verhaal in mee. Over de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Ook dan klinken de woorden 'zegenen, breken, delen'. Tot vandaag wordt overal deze maaltijd gevierd om Jezus te gedenken en om te vieren dat we overvloedig mogen delen in zijn liefde. We noemen hem 'brood van het leven' en we eren hem in het teken van de vis, ICHTUS; 'Jezus Christus, Zoon van God, Redder' betekent dat. Marcus vertelt het zo dat het oude verhalen oproept. Alsof hij in herinnering wil roepen hoe God voor zijn volk zorgt. Het is ook een nieuw verhaal, dat een vervolg krijgt in een mens die zichzelf uitdeelt alsof het niet op kan. Hij deelt zijn woorden, zijn liefde, zijn leven en zelfs zijn lichaam. Het is een verhaal dat elke keer waar wordt als wij hem gedenken. Het wordt waar als mensen delen.

 

Zondag 29 juli 2018
Jesaja 63, 7-14
Marcus 6, 45-52
RK: 2 Koningen 4, 42-44 en Johannes 6, 1-15
Dit is niet de eerste keer dat de leerlingen van Jezus ruw weer op het water meemaken. Marcus vertelt in hoofdstuk 4, 35vv over een hevige storm. Jezus is ook aan boord. Hij spreekt de storm bestraffend toe en wind en water komen weer tot rust. Daarbij hebben ze net van vijf broden en twee vissen gegeten met vijfduizend man. Je zou denken dat dat moed geeft voor een eventuele volgende storm. Zoals het goede apostelen betaamt zullen ze ook zonder Jezus moeten kunnen. Dat is niet zo en zo werkt Marcus toe naar een belangrijk thema in zijn evangelie: het onbegrip van mensen -zelfs van zijn eigen leerlingen - en het onvermogen te geloven.In hoofdstuk 8: 17 noemt Jezus zijn leerlingen zelfs hardleers. Goedbeschouwd is hier geen sprake van een storm maar van tegenwind. Dat is misschien nog wel frustrerender dan een storm. Je roeit maar komt niet vooruit; je spant je in maar het levert weinig op. Marcus doet zijn best om ons te laten begrijpen hoe beangstigend de situatie is. Het wordt al donker, de boot is midden op het meer en Jezus is onbereikbaar ver op het land. Ook hun vertrouwen hebben ze kennelijk op de kant laten liggen. Pas tegen het einde van de nacht, als ze al zo lang vergeefs hebben gezwoegd, moe en bang zijn, pas dan komt er hulp. Logisch dat ze dan denken met een spook te maken te hebben. Ze kunnen niet geloven dat hij erbij is als ze worstelen met de tegenwind en de golven. Herkenbaar voor die mensen die ooit hebben gedacht dat ze kopje onder zouden gaan in de problemen van het leven of zouden omkomen in wat hen overkwam. Hoeveel van hen hebben niet gedacht dat God er niet bij was en hen maar wat aan liet tobben. Maar dat is niet zo; we zijn niet alleen! 'Ik ben het' zegt Jezus tegen de tobbende leerlingen. Geen spook dus. Maar hij zegt er zoveel meer mee want 'ik ben' is de Naam van God en Jezus is in zijn naam gezonden. Opvallend is dat Marcus vertelt dat Jezus hen wilde voorbijlopen. We kennen dat beeld: God ging voorbij aan Mozes en riep uit wie hij wilde zijn: barmhartig, liefdevol en trouw. Zo was hij zijn volk voorgegaan door de zee. Zo zou hij zijn volk blijven voorgaan, als ze hem alleen maar wilden volgen. En dát lukt de leerlingen nu net niet. Ze durven Jezus niet te volgen. Ze raken in paniek als ze hem zien en er lijkt voor Jezus niets anders op te zitten dan bij hen aan boord te gaan. Wat is het jammer dat ze door het teken van de broden niet tot inzicht zijn gekomen. Later, na zijn dood, zullen zijn leerlingen eindelijk inzien dat dit een vooruitwijzing was naar zijn opstanding. Hij treedt niet alleen de angst voor het leven met voeten maar ook de angst voor de dood.

 

Zondag 5 augustus 2018
Deuteronomium 10, 12 -21
Jesaja 42, 1- 12
Marcus 7, 1 - 23
RK: Exodus 16, 1- 4. 12 - 15 en Johannes 6, 24 - 35

Enkele Farizeeën en Schriftgeleerden vallen Jezus aan met een punt van kritiek. De aanleiding is dat Jezus' leerlingen hun handen niet wassen voor het eten. Niet dat hun handen vuil zijn maar volgens de traditie van de voorouders zouden zij ze ritueel moeten wassen om weer rein te zijn. In 'volgens de traditie' zit het verschil van mening. Het handen wassen voor het eten, het reinigen van het kookgerei, maakte deel uit van een ingewikkeld systeem van reinheidsvoorschriften dat mondeling werd doorgegeven. Het staat dus niet in de Thora. Jezus schiet niet in de verdediging maar vecht terug. Huichelaars zijn het. Wat Jesaja heeft geschreven (Jesaja 29,13) is hen op het lijf geschreven. Ze maken Gods geboden ondergeschikt aan hun eigen voorschriften. Zelfs nog erger, door hun eigen regels slim in te zetten ontkrachten ze de geboden. In de Thora staat 'Toon eerbied voor uw vader en moeder'. Dat betekent dat kinderen voor hun ouders zorgen als ze op hoge leeftijd financieel afhankelijk worden. Door slim gebruik te maken van het voorschrift om geld vast te zetten voor de tempel ontlopen zij deze zorgplicht en bespotten ze God. Als we het hebben over rein en onrein is dit een vuil spelletje. Waar halen ze het gore lef vandaan om hun eigen regels belangrijker te vinden dan die van God! Reinheid zit hem niet in de voorgeschreven wasbeurten. Het zit hem ook niet in wat je eet. Dat komt immers niet in je hart terecht maar via je achterkant in de beerput. Reinheid heeft minder te maken met je buitenkant en meer met de binnenkant. Als zijn leerlingen om opheldering vragen, komt er een hele waslijst aan slechte gedachten die hun weg naar buiten zoeken als ontucht, diefstal, moord enz. Een smerige streek, vuilspuiterij, dat maakt een mens onrein. De regels en voorschriften zijn een lapmiddel om te verbloemen dat deze vuiligheid in elk mens aanwezig is. Het zit in ons en op gezette tijden komt het eruit. We kunnen dat niet wegpoetsen. We kunnen wel onze weg er door heen zoeken en daarvoor zijn de tien woorden van God genoeg. Die wijzen ons de weg naar God en elkaar.

 

Zondag 12 augustus 2018
2 Koningen 4, 8 - 18 (37)
Marcus 7, 24 - 30
De gangbare uitleg van dit verhaal is: Jezus is grof als hij de niet-Joodse vrouw afwijst en haar een hond noemt. Jezus moet nog leren dat de goedheid van God niet alleen is bestemd voor de Joden maar ook voor de heidenen. Hij moet zijn roeping breder leren verstaan. De vrouw is de heldin van dit verhaal. Zij laat zich niet afschepen en blijft vechten voor de geestelijke gezondheid van haar kind. Deze uitleg lijkt zo slecht aan te sluiten bij wat we hier voor lazen, over rein en onrein en Jezus' frisse blik over die begrippen. Het is een vreemd verhaal. Jezus bevindt zich op heidens grondgebied en wil daar onopgemerkt blijven. Waarom? Wil hij de mensen ontvluchten die maar niet willen geloven? Is hij zijn leerlingen beu die voorop lopen in hun onbegrip? Het staat er allemaal niet. Alleen dat in dat heidens gebied een heidense vrouw naar hem toe komt. Ze had over hem gehoord en deed een beroep op zijn macht. Waar hij in zijn eigen land stuit op afwijzing, geeft deze vrouw hem haar volledige vertrouwen. Het dilemma is bijna voelbaar: Jezus' roeping is in de eerste plaats om het goede nieuws aan de kinderen van Israël te brengen, want van daar zal de zegen zich verspreiden over alle volken op aarde. Maar hij kan toch het vertrouwen van deze vrouw niet beschamen. Die aarzeling hoor ik in wat Jezus zegt: 'eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen.' Dat houdt de deur open voor de anderen. Voor de fijnproevers: in het Grieks staat er 'tekna', 'eigen kinderen' of 'nakomelingen'. De vrouw heeft zelf een dochtertje en kan dat beamen. Zij komt ook op voor haar eigen kind. De aarzeling zit ook in 'honden'. Het is jammer dat de vertalers ons niet laten horen dat Jezus een verkleinwoord gebruikt. Bijna liefkozend heeft hij het over de hondjes onder de tafel. Jezus gebruikt dit woord niet grof maar met respect voor de volgorde die de weg van Gods heil kiest. De vrouw wordt er ook niet door afgestoten maar borduurt op Jezus' beeld verder. Op welke manier zullen de kinderen tekort worden gedaan als de hondjes de kruimels opeten? Zij ziet voor zichzelf ruimte. Opnieuw voor de fijnproevers: nu staat er 'paidioon', dat een veel neutraler woord is voor 'kinderen'. Daarmee haalt de vrouw de exclusiviteit van Gods goedheid weg. Die wordt niet minder als de heidenen er in delen. Om haar woord van vertrouwen wordt haar dochter genezen. Moest ook Jezus genezen, van een vooroordeel? Of is het voorval bedoeld om de gemeente van Christus te doordringen van de reikwijdte van Gods liefde? De gemeente waaraan Marcus schreef bestond immers niet alleen uit Joden maar zeker ook uit gelovigen vanuit de heidenen. (zie de uitgebreide uitleg van een Joods gebruik aan zijn lezers in 6, 3-5) Dat zal niet altijd makkelijk zijn geweest. Beiden mogen weten dat zij kinderen van God zijn.

 

Zondag 19 augustus 2018
Jesaja 35, 1 - 10
Marcus 7, 31 - 37
RK: Spreuken 9, 1 - 6 en Johannes 6, 51 - 58

We blijven nog even in 'het buitenland'. Nu zonder discussies. Er was daar een dove die gebrekkig sprak. Letterlijk en figuurlijk gaat er weinig van hem uit: anderen brengen hem naar Jezus en smeken hem deze man de hand op te leggen. Hij zal niets aan zijn benen gemankeerd hebben. We horen vooral dat er geen communicatie was. Niets om te vragen, te vertellen, te delen. Wat een eenzaam bestaan moet dat zijn. En wat een weldaad als iemand dan zijn best doet om wel te communiceren. Jezus trekt de man weg van de menigte. Hij was wel omringd door mensen maar toch geïsoleerd. En nu, geïsoleerd door Jezus, komt contact tot stand. Niet met woorden maar met gebaren. Heel lijfelijk legt Jezus zijn vingers op de zere plek: de dove oren, de tong die in de knoop zat. Zoals een moeder haar kind afkust, gebruikt ook Jezus spuug. Dan kijkt hij omhoog naar de hemel en zucht. Aan zijn lichaam kun je aflezen wat het hem doet en hoe hij dit biddend voor God brengt. Niet anders dan in verbondenheid met God kan Jezus zich ontfermen over deze mens en hem genezen. 'Effata' zegt hij. Een krachtig woord, een woord met macht waardoor de oren open gaan en de knoop uit zijn tong verdwijnt. De omstanders herkennen er de oude profetie in die op dat moment waar lijkt te worden: Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten. Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen.' Maar dat mogen ze dan weer niet van Jezus, jubelen. Hij verbiedt de omstanders iemand te vertellen wat er is gebeurd. Dat is kenmerkend voor het evangelie van Marcus: 'het Messiasgeheim'. Dat Jezus de Zoon van God is, dat is het geheim en dat versta je niet zomaar even. Dat begrijp je pas achteraf, als je het geheel van zijn leven, lijden en sterven kunt bezien in het licht van de Opstanding.

 

Zondag 26 augustus 2018
2 Koningen 4, 42 - 44
Marcus 8, 1- 21
RK: Jozua 24, 1 - 2a. 15 - 17.18b en Johannes 6, 60 - 69
Een tweede broodwonder. Waar is dat voor nodig? De eerste keer ging het om vijf broden voor vijfduizend mannen en bleven er twaalf manden over. Dit keer gaat het om zeven broden voor vierduizend mensen en er blijven zeven manden over. Misschien vinden we het antwoord op onze vraag hierboven in deze aantallen. Vijf en twaalf zijn de getallen voor Thora en Israël. Met de eerste maaltijd voedt Jezus zijn eigen volk. Zeven is het getal van de volkomenheid. Zeventig is het getal van alle volken van de aarde; met duizend kwamen ze uit de alle vier windstreken. We lazen hiervoor al dat het goede nieuws grensoverschrijdend mag zijn; in de ontmoeting van Jezus en de Syro-Fenicische vrouw en in de genezing van de dove niet-Joodse man in Dekapolis. Daarom deelt Jezus het brood ook op heidens grondgebied. Het brood dat leven geeft is voor iedereen. Terug in Galilea wacht een nieuwe discussie met de Farizeeën. Ze willen een teken uit de hemel. Met zoveel woorden zegt Jezus dat ze daar lang op kunnen wachten; hij hoeft zich niet te verantwoorden voor mensen die vol ongeloof zijn. Van de Farizeeën verwachten we ongeloof en onbegrip maar van Jezus' eigen leerlingen toch niet! Zij zijn oog- en oorgetuigen maar ze kijken niet goed en luisteren maar half. Als Jezus het met hen heeft over het zuurdesem van de Farizeeën, over het onbegrip dat alles doortrekt, maken zij zich druk over brood. Tot twee keer toe hebben ze gezien dat er genoeg voor iedereen is als Jezus erbij is en nu maken ze zich druk over een vergeten lunchpakket. Jezus is enorm teleurgesteld in hen. Marcus legt hem een citaat uit Jeremia in de mond. (5,21) Alsof hij zeggen wil: jullie lopen het risico dat jullie hetzelfde doen als in Jeremia's tijd. Toen waren mensen zo druk met eigen zaken en zorgen, dat ze God vergaten. De vraag is natuurlijk of wij wel zo onbevangen en zorgeloos durven zijn dat we ons niet meer druk maken de honger in onze maag maar ons concentreren op de honger in ons hart. Die honger wordt gestild door Jezus. Hij is het levensbrood. Opvallend in de beide broodverhalen is dat Jezus zijn leerlingen steeds betrokken heeft bij de vraag 'wat zullen we eten' en bij het antwoord. De leerlingen werden uitgenodigd om te kijken wat er wél was en om te geven wat ze bij zich hadden. Jezus heeft hen niet alleen laten zien dat door hem een wonder mogelijk is, maar dat zijn volgelingen deel zijn van dat wonder. Daar kunnen wij ons iets van aantrekken; niet gemakzuchtig zeggen dat het toch niets uitmaakt wat je doet, niet teleurgesteld zijn in wat er allemaal mist, maar zoeken naar wat er wél is in het vertrouwen dat dat gezegend wordt.

 

Zondag 2 september 2018
Psalm 34, 12-23
Marcus 8, 22-26
RK: Deuteronomium 4, 1-2. 6-8 en Marcus 7, 1-8. 14-15. 21-23
'Jullie hebben ogen, maar zien niet?' (Marcus 8,18) Dat zegt Jezus teleurgesteld tegen zijn leerlingen. Tot twee keer toe hebben velen gegeten van slechts enkele broden. Tekenen van de hemel waarvan zij ooggetuigen waren. Maar ze zien het niet! Het dringt niet tot hen door dat in Jezus Gods koninkrijk is doorgebroken. Pak Jesaja 35 er even bij. We mogen hierbij bedenken dat Marcus zijn evangelie pas later schreef, voor de eerste christengemeente in Rome. Het was een tijd van angst voor vervolging. Het was niet gemakkelijk om vast te houden aan de weg van Christus. En ik kan me voorstellen dat de gelovigen van toen het licht wel eens uit het oog verloren. Precies zoals het ook mensen van nu kan overkomen dat zij het niet meer zien (zitten). Jezus neemt de blinde bij de hand en neemt hem mee naar buiten het dorp. Met wat speeksel raakt hij de ogen van de man aan. En langzaam trekt hij de man weg bij het donker vandaan. Het licht is er toch ook voor hem? Dit kind is toch ook een kind van God? Langzaam aan. Niet te veel licht ineens. Zie je al wat? vraagt Jezus. Ik zie de mensen, het zijn net bomen, maar ze wandelen rond. Het begint hem al een beetje te dagen. Het begint er op te lijken. Nog een keer legt Jezus zijn handen op zijn ogen en nu ziet hij alles heel helder. Ook in het evangelie gaat alles niet in een keer. Zelfs de mensen die het dichtst bij Jezus staan zien bij stukjes en beetjes in dat hij de Messias is. Kinderen kijken anders. Een klimrek is een kasteel, de zandbak het huis om in te wonen. Kinderen verwonderen zich over een bloem, een vorm. Volwassenen, met al hun haast, met hun logica en nuchtere waarnemingen, zien dat niet meer en raken die verwondering kwijt. Ze zijn daarmee blind geworden voor de stukjes koninkrijk die doorbreken in onze werkelijkheid. Die blindheid heeft niets met ogen te maken, maar alles met het hart. De genezing van de blinde is geen medisch wonder maar wonder van het geloof dat méér ziet, dat dóórziet. Eigenlijk zouden we vandaag moeten doorlezen over Petrus die belijdt dat Jezus de Messias is. Hij ziet het! Maar nog niet helemaal helder

 

Zondag 9 september 2018
Deuteronomium 4, 1-2.9-20
Marcus 8, 27-9,1
RK: Jesaja 35, 4-7a en Marcus 7, 31-37
Voordat Jezus via Galilea naar Jeruzalem gaat, trekt hij met zijn leerlingen door de streek rond Caesarea (havenplaats in Noord-Samaria). Op die weg vraagt hij hoe de mensen hem zien. Volgens de leerlingen ziet men een verband tussen Jezus en het aanbreken van Gods tijd en ze associëren Jezus met Johannes de Doper (kondigt het koninkrijk Gods aan) of met Elia (profeet van de eindtijd) of een van de profeten (die Gods tijd aankondigen). Te midden van dat zoeken klinkt het trefzekere antwoord van Petrus: de Gezalfde. Degene op wie heel Israël wacht en met wie Gods tijd aanbreekt. Dat mag alleen in de beslotenheid klinken. Daarna kondigt Jezus aan hoe de leiders van het volk zullen reageren. Hij duidt zichzelf aan met de 'Mensenzoon', degene die namens God oordeelt (zie boek Daniël). De leiders willen het einde van de gangbare geestelijke en rechterlijke macht voorkomen. Ze gaan ervan uit dat het doden van de Mensenzoon afdoende is. Maar de Mensenzoon wordt zelfs niet door de dood gestopt. Hij zal leven. Dat klinkt weer in alle openheid. Petrus neemt Jezus apart. Waar Petrus zo fel op reageert, staat er niet. Op die openheid? Op de aankondiging van de verwerping? Er staat wel hoe Jezus op Petrus reageert. Jezus betrekt al zijn leerlingen erbij. Petrus kan met zijn apartje en zijn woorden niet tussen hem en zijn leerlingen in gaan staan. Petrus is hier de tegenspreker, degene die verzoekt. Jezus maakt aan meer mensen (de menigte) duidelijk dat het om Gods handelen en niet om het handelen van de mensen gaat. Kiezen voor Jezus is kiezen voor leven. Scherp schildert Jezus hier de tegenstelling tussen 'je ziel' (wie je echt bent als mens zonder franje) en 'de wereld winnen' (dat wat door mensen die niet trouw zijn aan zichzelf en hun medemens, als leven gezien wordt). Jezus zegt dat degenen die hun 'ik' verbergen, niet door hem herkend zullen worden als hij met de engelen (van Gods wereld) komt. Tot slot de troostrijke woorden: dat er mensen zullen zijn die het Rijk en zijn kracht zullen herkennen/zien aanbreken.

 

Zondag 16 september 2018
Jesaja 45, 20-25
Marcus 9, 14-29
RK: Jesaja 50, 4-9a en Marcus 8, 27-25

In het gedeelte hiervoor wordt de verheerlijking op de berg beschreven. Direct daarna spreekt Jezus over het lijden, dat wat nog tussen het werkelijk worden van Gods tijd en het nu in staat. Lijden wordt ook zichtbaar als Jezus en de drie leerlingen de groep achtergebleven leerlingen tegemoet lopen. Ze staan rondom een zieke die niet genezen kan worden. Er is verbazing als ze Jezus zien, omdat hij als geroepen komt. Zitten ze met een onoplosbaar probleem, komt hij eraan. Als Jezus vraagt wat er aan de hand is, neemt de vader van de zieke het woord. Hij gaat niet in op de discussie die er rond de zieke gaande is, maar vraagt om hulp. De overige leerlingen hadden de jongen kennelijk niet kunnen helpen, terwijl het toch ook bij hun praktijk hoorde om zieken te genezen en boze geesten uit te drijven. Bij de beschrijving van epilepsie die aan demonen toegeschreven wordt, wordt vaak afasie verbonden met doofheid. Het is niet duidelijk tegen wie de uitroep van Jezus (ongelovig volk) gericht is, tegen God, tegen de leerlingen, tegen heel de menigte. Het is veeleer een uitroep, verzuchting zoals de profeten dat doen als ze klagen of versteld staan over het ongeloof van het volk. Dat wordt in een adem gezegd met de verzuchting dat het woord van God, dat een mensengestalte heeft aangenomen, zich het meest thuis voelt bij zijn oorsprong: bij de wereld die bij God hoort. Dan volgt de diagnose in een vraag- en antwoordgesprek en dat loopt uit op een herhaling van de vraag om hulp. De vader roept zijn geloofsbelijdenis uit. Het onderonsje is inmiddels een zaak geworden, die allen aangaat. De belijdenis en de genezing mogen gehoord en gezien worden, een teken van het Rijk. Openlijk bestraft Jezus de onreine geest; het is een meting van krachten, de jongen wordt niet zomaar losgelaten. Als de jongen voor dood blijft liggen, reikt Jezus hem de hand en de jongen staat op! De opstanding wordt zichtbaar gemaakt. Dan wordt in de beschutting/privacy van een huis uitgelegd aan de leerlingen wat er nodig is voor het uitdrijven van zulke geesten. Gebed hoort naast vasten tot de religieuze uitingen van het joodse geloof.

 

Zondag 23 september 2018
Deuteronomium 13, 1-5
Marcus 9, 30-37
RK: Wijsheid 2, 12. 17-20 en Marcus 9, 30-37

Jezus en de leerlingen zijn op weg naar Galilea. Dat is in het Marcusevangelie de plek waar de boodschap van omkeer en inkeer weerklinkt. Vanuit Galilea zijn ze op weg naar Jeruzalem. Die weg werd even tevoren al gekenmerkt door de belijdenis van Petrus en de aankondiging van de verwerping door de leiders van het volk. Juist op die weg stelt Jezus zijn overlevering aan de orde. In dit stuk wordt het woord uitgeleverd (letterlijk: overgeleverd in de handen van mensen) voor het eerst in combinatie met de term Mensenzoon gebruikt. Het wordt zo breed mogelijk aangegeven: in de handen van. De leerlingen begrijpen het niet want ze waren met iets heel anders bezig. Dan gaan ze een huis binnen in Kafarnaüm. Dat biedt ruimte en bescherming om hun onbegrip bespreekbaar te maken. Jezus vraagt waarover zij aan het redetwisten waren. Ze zwijgen en durven niet te zeggen waar ze zo mee vervuld waren, dat ze wat Jezus vertelt niet inzien. Opvallend is dat Jezus ook zonder antwoord van de leerlingen laat zien dat hij wel weet waarover het gaat en dat zij met dingen bezig waren die er niet toe doen. Dan legt Jezus aan de hand van een levend voorbeeld uit wat hij bedoelt. Aan de ene kant dus de overwegingen van de leerlingen over meer en meest, en aan de andere kant Jezus met zijn voorbeeld over de geringe. Hij zet een kind in hun midden en beeldt uit (arm om het kind heen) waar het wel om gaat: om ontvangen/opnemen. Tegenover overleveren/uitleveren staat opnemen, ontvangen. Door een kind als voorbeeld te nemen, legt hij uit waar je dan ja tegen zegt. Jezus vereenzelvigt zich met de geringsten, de kleinen zoals die ook wel in het evangelie genoemd worden. Zo wil hij het onbegrip van de leerlingen wegnemen. Het opnemen van een geringe wordt zelfs vergeleken met het ontvangen van degene die Jezus gezonden heeft. Het gaat dus over een totaal andere orde.

 

Zondag 30 september 2018
Numeri 11, 24-29
Marcus 9, 38-50
RK: Numeri 11, 25-29 en Marcus 9, 38-43.47-48

Jezus heeft uitgelegd waar het om gaat: om het opnemen van de geringste. Maar Johannes blijft doorvragen; maar wat als iemand die demonen uitdrijft in uw naam en ons niet volgt. Jezus wijst van zichzelf af. Wie in mijn naam geesten uitdrijft kan niet haastig (vertaald met: 'het volgende ogenblik') kwaad van mij spreken. Het woord 'haastig' doet denken aan de haast waarmee de eindtijd vaak wordt aangeduid. Opvallend is dat Jezus even later niet meer over 'mijn naam' spreekt maar over 'ons'. Wie niet tegen ons is, is voor ons. Het clubje leerlingen is niet een exclusief clubje van een hogere rangorde. Het gaat niet om meer en meest, want zelfs als iemand jullie een glas water geeft omdat je bij Christus hoort, zal die beloond worden. De zinnen 'wanneer.. dan' (verzen 42-48) zijn geformuleerd volgens de rechtspraak. Volgens deze voorwaardelijke wetten wordt een schuldige alleen gestraft aan het lichaamsdeel waarmee hij het vergrijp pleegt en volgt op een vergrijp niet de doodstraf (wat gangbaar was in die tijd). Op die manier werden extreem wrede straffen een halt toegeroepen. Hier wordt de 'wanneer' formule direct in verband gebracht met het oordeel in de indtijd, de tijd wanneer het erop aankomt zoals in de tijden van vervolging. In de martelaarsverhalen staat beschreven hoe christenen en joden gedwongen werden om tegen de wetten van hun vaderen te zondigen. Deden ze dat niet dan was verminking een gangbare straf. In dat licht is de tekst dus geen pleidooi voor zelfverminking maar een waarschuwing dat je beter gemarteld kunt worden (waarbij je een lichaamsdeel kunt verliezen) dan Christus verloochenen. Het ligt dus in de lijn van 'wie mij wil volgen moet zijn kruis op zich nemen'.

 

Zondag 7 oktober 2018
Maleachi 2, 10-16
Marcus 10, 1-16
RK: Genesis 2, 18-24 en Marcus 10, 2-(12)16

Bij de vraag van de Farizeeërs wordt heel duidelijk aangegeven dat het niet een gewone vraag is, maar een vraag om op de proef te stellen (te verzoeken). De vraag begint hetzelfde (is het geoorloofd dat -hier vertaald met 'mag'-) als die over het doel van de sabbat (in hoofdstuk 2 en 3). Dat brengt ons in de sfeer van Genesis 1, over de bestemming van de mens en de sabbat (een dag om weer op adem te komen). De vragenstellers verwijzen niet direct naar de wet, maar doelen daar wel op. Jezus stelt een wedervraag en noemt Mozes, de man van de wet. Hoe luidt het voorschrift (gebod) van Mozes? Maar dan hebben ze het ineens niet meer over wat Mozes geboden heeft, maar heeft toegestaan. Jezus klaagt Mozes niet aan maar verwijst naar de hardheid van de harten van het volk. Marcus geeft zo onderwijs over Genesis 1, via deze vraag over Mozes. In het antwoord dat over trouw gaat, klinkt ook mee dat Jezus zijn bruid Jeruzalem niet laat vallen. Ook al weet hij wat hem te wachten staat. In zoverre is de vraag als een verzoeking: je kunt nog nee zeggen. Terwijl de vraag gaat over 'mag een man... heeft Jezus het in het antwoord over een mens: mannelijk en vrouwelijk. En in plaats van de term verstoten spreekt Jezus over 'scheiden'. 'Wat God onder een juk heeft gebracht' (vertaald met 'verbonden'), mag de mens niet scheiden. God heeft de mens met medemensen verbonden. De mens die de sabbat, de dag van het Rijk viert, weet wat de bedoeling van de mens is. Zo gaat het via de vraag over het huwelijk ineens over het trouw en ontrouw zijn van mensen aan God en aan hun medemensen. Direct daarna volgt dan de episode waarin mensen hun kinderen naar Jezus brengen (in die tijd was het gebruikelijk je kind door een rabbi te laten zegenen). Jezus verwijt zijn leerlingen dat zij de mensen met hun kinderen willen scheiden van hem. Jezus laat zien dat kinderen meetellen in zijn Rijk. Ze worden zelfs ten voorbeeld gesteld, niet om hun deugden of eigenschappen, maar omdat kinderen weten wat het is om afhankelijk te zijn. Ontvang dan zo, in afhankelijkheid van God, het Rijk. Niemand kan zich op iets voor laten staan.

 

Zondag 14 oktober 2018
Deuteronomium 15,1-11
Marcus 10,17-31
RK: Wijsheid 7,7-11 en Marcus 10,17(27)-30

Op weg naar Jeruzalem ontmoet Jezus iemand die vraagt wat moet ik doen om het eeuwige leven te bereiken. Volgens joodse opvatting hangt het lot van de mens af van zijn handelen in gehoorzaamheid aan de Thora. De man spreekt Jezus aan met 'meester' (een autoriteit op het gebied van de wet) en 'goed'. De reactie van Jezus daarop, is ook het antwoord op zijn vraag: 'Goed is alleen God. Wat goed is zie je in de Thora, de leefregels. Dat is de wil van God'. Er volgt een opsomming van de geboden die de houding ten opzichte van de naaste betreffen: respect voor het leven, bezit, de relatie en het recht van een ander; en respect voor hen die je dat doorgegeven heeft. Jezus is bewogen met de man, en houdt hem een keuze voor: afstand nemen van datgene wat je belangrijk vindt, je bezit en kiezen voor mij. Dan heb je een schat in de hemel. Maar dat is een stap te ver voor de man. Hij gaat terneergeslagen weg. Hij heeft begrepen dat het om meer gaat dan de geboden doen. Rijkdom wordt in het jodendom als een zegen beschouwd. Goed gebruik ervan, siert de mens. Maar Jezus waarschuwt voor de gevaarlijke kant ervan: zelf bezit worden van je bezit zodat je niet meer vrij staat tegenover God en je naaste. De leerlingen schrikken en als Jezus er dan nog een schepje bovenop doet, staat er dat ze zelfs nog meer ontzet zijn. Een soort moedeloosheid valt dan op hen. Wie dan nog wel? Pas als duidelijk is dat op eigen kracht het Rijk binnengaan moeilijk, zo niet onmogelijk is (die absurde vergelijking van de kameel door het oog van de naald), volgt de troost: je kunt met Gods hulp binnengaan. Op Petrus opmerking dat zij dan toch maar wel de juiste keuze hebben gemaakt, brengt Jezus de tijden waarin het erop aan komt (eindtijd) ter sprake. Het kan dan betekenen dat je om Christusalles moet prijsgeven, maar je ontvangt het terug in de komende eeuw. Alleen kun je je niet ergens op voor laten staan.

 

Zondag 21 oktober 2018
Jesaja 29,18-24
Marcus 10,32-45
RK: Jesaja 53,10-11 en Marcus 10,35(42)-45

Jezus is op weg naar Jeruzalem omwille van de troost voor het volk. Dit is een beslissende fase omdat aan het eind van die weg het messiaanse geheim wordt onthuld. Degenen die Jezus het Rijk van God aan horen kondigen, leven in de veronderstelling dat dit samenvalt met het herstel van het rijk van David. Het volk zou bevrijd worden. De leerlingen zijn ongerust en die hem volgden zijn bang. Er staat iets te gebeuren, maar wat? Jezus vertelt nog een keer wat de Mensenzoon te wachten staat, maar het lijkt wel of ze alleen het woord 'Mensenzoon' horen. Daar borduren Johannes en Jakobus op verder. Wie zit aan de linker- en rechterhand? En uit de felle reactie van de andere leerlingen blijkt dat ook zij daar nog steeds mee bezig zijn. Voor het besef van Grieken was 'in dienst zijn van iemand' mensonwaardig maar ook in Israël was die gedachte niet vreemd. Wat dat betreft is de spreuk: 'een dwaas wordt slaaf van een verstandig mens' dan ook veelzeggend. Toen Jezus de leerlingen riep, hebben zij hem gevolgd maar dat wil niet zeggen dat zij hun ambities bij de visnetten achtergelaten hebben. Jezus maakt dan duidelijk dat er in Gods Rijk met andere maten wordt gemeten. Je bereikt de hoogste plaats door dienstbaar te zijn, dat is ook het doel van de Mensenzoon. Maar wat houdt dat dienstbaar zijn dan in? Het woord 'diakonein' dat gebruikt wordt betekent ook 'verzorgen'. Alleen degene die de medemens in nood verzorgt, opvangt en ontvangt, doet waar het in dat Rijk om gaat. Het gaat dus niet om (geestelijke) zelfontplooiing maar om beschikbaarheid. De tekenen die Jezus laat zien, vertellen niet zozeer iets van Gods macht maar van zijn barmhartigheid. Dat is het criterium of je bij dat Rijk hoort. Jezus' 'er zijn' voor mensen is zo ver gegaan dat hij zelfs zijn leven prijsgegeven heeft. De uiterste grens. Dat is dan ook de wedervraag die Jezus stelt als ze om hun hoge plaatsen vragen. In het antwoord van Jezus klinkt ook mee: 'wie zijn leven behouden wil, zal het verliezen en wie zijn leven wil verliezen, zal het behouden. Het gaat bij het dienstbaar zijn niet om een ondergeschikte functie maar om een levenshouding van beschikbaar willen zijn. Om echt medemens zijn.

 

Zondag 28 oktober 2018
Jesaja 59,9-19
Marcus 10,46-52
RK: Jeremia 31,7-9 en Marcus 10,46-52

Onmiddellijk na zijn uitspraken over beschikbaar willen zijn voor medemensen in nood, volgt Jezus aandacht voor een blinde. De toevoeging bedelaar geeft de draagwijdte van het blind zijn in die tijd aan. Een blinde miste ook zijn kans op werk (en bron van inkomen). Als Jezus Jericho uitgaat wordt hij aangeroepen door de blinde zoon (bar) van Timeüs. Jericho was een welvarende stad. Een doorgangsplaats op de weg naar Jeruzalem. Op zijn weg naar Jeruzalem vindt Jezus Bartimeüs, die gevangen zit in zijn blindheid. De blinde laat luid van zich horen: Zoon van David (zo spreek je de Messias aan), Jezus van Nazaret. Hij weet van wie hij heil moet verwachten. Van de Messias staat (in Jesaja) dat hij blinden het gezicht zal geven. Maar de mensen om hem heen hebben een andere verwachting van de Messias: hij zal de vijand verdrijven en het volk redden. Ze vinden het dan ook niet kunnen dat Jezus opgehouden wordt op zijn tocht naar Jeruzalem (vanwaar het heil toch zal komen) door een enkele blinde. Ze snauwen tegen hem dat hij zijn mond moet houden. Maar Bartimeüs laat zich niet de mond snoeren en hij schreeuwt nog harder. Jezus staat stil en roept hem. Roepen heeft hier een eschatologische betekenis. Hij nodigt hem uit te komen binnen de sfeer van het Rijk. Merkwaardigerwijs is er nu een andere reactie van de omstanders: houd moed, sta op, hij roept u. Geroepen tot opstanding, nieuw leven. En met nieuw elan gaat de blinde op Jezus af, hij werpt zijn mantel af, een gebaar van bevrijding, en springt op (er spreekt kracht uit) en gaat naar Jezus toe. Rabboeni. meester, zorg dat ik weer kan zien. En Bartimeüs ziet en begint een nieuw leven, Jezus volgend.

 

Zondag 4 november 2018
Job 19, 23-27a
Marcus 12, 18-27
RK: Deuteronomium 6, 2-6 en Marcus 12, 28b -34

Het evangelie van Marcus 12, 18 - 27, spreekt ver God als een God van levenden. (vers 7) Jezus wordt door Sadduceeën, joden die niet geloven in de opstanding, in het nauw gedreven. Hij wordt uitgedaagd een uitspraak te doen over de opstanding van de doden. Ze maken dit geloof belachelijk door met een voorbeeld te komen van een vrouw die achtereenvolgens met zeven broers trouwt. Ze vragen zich af wie dan wel de echte man van die vrouw is, als ze allemaal opstaan uit de dood.(vers 23). Het antwoord van Jezus is dat zij de Schriften niet kennen en evenmin de macht van God. Het doel van God met mensen is dat zij leven.

 

Zondag 11 november 2018
Leviticus 19, 1-2. 9-18
Marcus 12, 28-34
RK: 1 Koningen 17, 1-16 en Marcus 12, 38(41)-44

Marcus 12, 28-34 is een leergesprek tussen Jezus en een schriftgeleerde. Wij zien dat de rol van leerling en leraar wisselt. Eerst is de schriftgeleerde de leraar door Jezus de vraag naar het belangrijkste gebod te stellen. Jezus geeft als leerling het goede antwoord. De schriftgeleerde herhaalt dit antwoord en voegt toe dat het liefhebben van God en de naaste meer waard is dan alle offers. Hiermee laat hij merken dat ook hij geleerd heeft. Jezus bevestigt hem en als een wijze leraar oordeelt hij dat de schriftgeleerde dichtbij het koninkrijk van God is.

 

Zondag 18 november 2018
Exodus 30, 11-16
Marcus 12, 38-13, 2
RK: Daniël 12,1-3 en Marcus 13,24-32

De evangelielezing vertelt over Jezus die leert op het tempelplein. Hij laat zien dat mensen op verschillende manieren God dienen. Zoals de schriftgeleerden, die er eerder op uit zijn gediend te worden, dan zelf te dienen. Met hun dure gewaden en lange gebeden willen ze respect bij mensen afdwingen. Maar hun vrome uiterlijk is bedrieglijk. Ze eten de huizen van de weduwen op. Tegenover de schone schijn en de eigendunk van de schriftgeleerden stelt Jezus het gedrag van een arme weduwe. Hij wijst zijn leerlingen op haar offer. Het zijn slechts twee muntjes, maar dat is wel haar hele levensonderhoud. Ze riskeert een onzeker bestaan. Haar offer kost haar echt iets. Deze manier van dienstbaarheid krijgt daardoor bijzondere waarde. Het contrast tussen de verwaande schriftgeleerden en de arme weduwe is zo groot, dat het duidelijk is dat deze tegenstelling als stijlmiddel wordt gebruikt. Vast niet alle schriftgeleerden stelden zich zo op. Kijken wij terug naar de voorafgaande evangelielezing, dan komt daar een ander beeld te voorschijn. Het contrast maakt wel duidelijk dat je in je houding en handelen keuzes maakt, die verraden waar je hart naar uit gaat. Hoeveel risico durf je te nemen in je vertrouwen op God, hoe ben je dienstbaar? Franciscus van Assisi spreekt nog steeds tot de verbeelding als een mens die daarin evenals de weduwe heel ver ging. Hij nam afstand van alle rijkdom die hij had en die hem een goed leven bracht. Juist de weg van de armoede bracht hem dichter bij het geheim van God.

 

Zondag 25 november 2018
Sefanja 1, 14 - 2, 3
Marcus 13, 14 - 27
RK: Daniël 7,13-14, Openbaring 1,5-8 en Johannes 18,33b-37

Het evangelie beschrijft de eindtijd, die begint met een periode van de 'gruwel der verwoesting'. Een afschrikwekkende tijd, waarin mensen zullen sterven door afschuwelijke gebeurtenissen. Wat die precies zijn wordt niet verteld. Daarna breekt de tijd aan dat de Mensenzoon terugkeert op de wolken, om de uitverkorenen bij elkaar te brengen. Eindelijk zal gerechtigheid geschieden. De term 'gruwel der verwoesting' gaat terug op het boek Daniël. Daar wordt er het afgodsbeeld Zeus mee bedoeld dat op het hoofdaltaar is geplaatst in de tempel en zo de tempel ontwijdt. Het is in de ogen van de gelovige een gruwel. Jezus gebruikt dit beeld, maar bedoelt meer dan een ontwijding van de tempel door een afgodsbeeld. Voorafgaand aan deze lezing horen wij hoe de leerlingen naar de volkeren worden gestuurd om het goede nieuws te vertellen (Marcus 13, 10). Maar deze boodschap zal maar door weinigen worden geloofd (Marcus 13). De tempel in Jeruzalem wordt zodoende geen bedehuis voor alle volkeren. Daarmee wordt deze heilige plaats ontwijd. Dat is een gruwel, want het gaat God om de redding van alle volkeren. Toch is hiermee het laatste woord niet gezegd. Zelfs in deze laatste dagen kunnen de uitverkorenen het volhouden en uitzien naar de Mensenzoon die zeker komen zal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar start